De kerk heeft niet zo’n beste reputatie als het om homoseksualiteit gaat. Dat was vooral vroeger volgens veel gelovigen een gruwel in Gods ogen. In het Bijbelse receptenboek dacht men overduidelijk te kunnen lezen dat alleen man en vrouw voor elkaar geschapen waren. Dat peperde mijn vader me ook in nadat ik als twaalfjarige jongen in een zwembadhokje op ‘vieze spelletjes’ met een vriendje was betrapt door een badmeester. De man had ons gegiechel gehoord tijdens zijn ronde langs de hokjes. Hij keek vanuit het aangrenzende hokje over het houten tussenschot en zag ons heerlijk aan elkaar friemelen. ‘Komen jullie maar eens mee naar het kantoor’, riep hij boos. Bedremmeld en met een plots opgekomen schuldgevoel liepen we met knikkende knietjes en in ons onderbroekje achter hem aan. Eenmaal in het kantoor wachtten we met bonzend hart op de dingen die komen gingen. We werden bestraffend toegesproken ‘vanwege onze vuile wanbedrijven’. We moesten het telefoonnummer van onze ouders geven. Die zouden snel op de hoogte gebracht worden van onze zondige daad. Mijn vriendje mocht mij van zijn ouders lange tijd niet zien. Mijn ouders verboden de omgang niet, maar mijn vader hield een ‘pastorale’ preek. Ik moest later tot ’één vlees worden met een vrouw’ zei hij. Zo had God het bedoeld. Tja, zo ram je het homoseksuele schuldgevoel er wel lekker stevig in.

Het was natuurlijk niet alleen de kerk. De hele maatschappij ademde in de jaren zestig een seksuele benepenheid waar velen van ons onder gebukt gingen. Gelukkig is er in sommige kerken wel wat veranderd. Denk aan de jaarlijkse Pride dienst in de Keizersgrachtkerk. Ik had mijn vader daar graag bij uitgenodigd. Zou hij bezweken zijn van de schrik of zou hij met zijn tijd zijn meegegaan? Ik weet het niet, hij is er al zo lang niet meer.

Ik haat dogmatische kerken. Ik heb de pest aan een Bijbel die als een historisch correct voorschriftenboek wordt geraadpleegd, waar mensen vervolgens de dupe van worden.

En toch. Ik heb mijn eerste gevoel voor theater ontwikkeld in de kerk. Mijn taalgevoel is mede tot stand gekomen door al die dominees die ik in mijn jeugd heb moeten aanhoren. Sommigen maakten van hun optreden echt een theatervoorstelling. En ik genoot. Het leek me wel wat om ook zo’n theatrale dominee te worden. Ook mijn muzikale gevoel werd in de kerk aangewakkerd. Al die psalmen en vooral…..het orgel. Mijn opa was organist en thuis hadden wij een orgel, een harmonium, ‘de cirkelzaag des geloofs’, waarop alle kinderen leerden spelen.

Nu speel ik theater, ik schrijf, doceer Italiaans, ik zing en speel piano. Sinds kort heb ik les op een echt kerkorgel. Lekker even vol op het orgel! Een psalm, een gezang. Jeugdsentiment? Ongetwijfeld. Ik ben eigenlijk een nostalgisch gelovige, ik geloof vooral in het orgel.

Die badmeester zou ik trouwens nog wel eens willen spreken. Waar bemoeide hij zich in godsnaam mee? Ach, hij is natuurlijk al lang dood. Op naar de volgende orgelles!