"Veel mensen stropen op hun oude dag nog steeds de mouwen op.Dat blijft nodig"

Nabuurschap

Hoe is het Roze Stadsdorp ontstaan?

Ellen, terwijl ze een slechts half bedrukt A4-tje op tafel legt: ‘Ik heb even de statuten opgezocht!’

Marijke (verbaasd): ‘Hebben wij statuten? Aha maar het zijn wel korte!’

Sjef: ‘Dat is een goed teken!’

Marijke: ‘De stadsdorpen in Amsterdam zijn kort na 2012 ontstaan. Dat was in de tijd dat Rutte kwam met de participatiesamenleving en de zich terugtrekkende overheid. Als reactie daarop ontstond in eerste instantie het Stadsdorp Zuid. Die mensen daar zeiden: “Gaat de overheid zich terugtrekken? Oké, dan doen we het zelf wel!”. Inmiddels zijn er wel dertig stadsdorpen in Amsterdam. Die zijn allemaal anders, afhankelijk van de wijk en wat ze doen, maar hebben gemeen dat het een wijk gebonden gebeuren betreft. Het is uitdrukkelijk niet leeftijdsgebonden. Mensen passen op elkaars hondje,geven elkaars planten water en brengen de buurvrouw naar het ziekenhuis. Maar je kunt er ookadvies krijgen van een betrouwbare loodgieter en er worden op vele gebieden scholingen georganiseerd. Het is dus heel divers. Daarna is met een paar jaar vertraging ook een Roze Stadsdorp opgericht door enkele mensen die actief waren in de roze tennis-vereniging Smashing Pink. Zij dachten: “Wij zijn met elkaar ook een soort dorp, al wonen we verspreid door de hele stad”. In 2015 zijn we begonnen met een centrale borrel. De eerste keer kwamen daar veertig mensen op af. Inmiddels zijn we tienjaar en honderdtwintigborrels verder en hebben we ongeveer vijftienhonderd deelnemers aan het RozeStadsdorp. Er wordt gewandeld en naar de film gegaan, er is een leesclub, een museumclub, een bridgeclub. We hebben een informatieve website.En iedere maand verschijnt ons blad de Flamingo, waarin onder meer een link naar een podcast staat, een interview, een artikel over iets waar we ons druk over maken, en waar levensverhalen verteld worden. Omdat we door hele stad zitten zijn er buurtgroepen opgericht. Daar zijn er wel tien van. Daar wordt naar elkaar omgekeken, want dat is natuurlijk het idee.’                                                                    

Ellen: ‘Het nabuurschap is eigenlijk het allerbelangrijkste. Ook op praktisch gebied. Zo zijn we bezig om iets op te zetten over valpreventie. En we biedenscholing in digitale vaardigheden aan.’

 

Sociaal netwerk

Kun je iets vertellen over de vraagstukken waar jullie ouder wordende leden tegenaan lopen? Zijn er verschillen met de ouder wordende populatie als geheel?Ellen valt met de deur in huis: ‘Vaak slechte familiebanden!’

Sjef: ‘Je moet begrijpen dat er bij deze generatie,geboren tussen 1940 en 1950, in het verleden vaak van alles mis is gegaan. Toen duidelijk werd dat ik homo was,heeft mijn vader me de deur gewezen. Het was gewoon afgelopen, je kon niet meer thuis komen. Dan ben je op dat moment in één klap een heleboel kwijt. Je kwam alleen te staan. Dat gebeurde eigenlijk iedereen min of meer. Er viel in die tijd ook niet over te praten. Mijn broer, met wie ik het ontzettend goed kon vinden, vertelde mij pas zeven jaar later: “Ik ben het eigenlijk ook”. Dat was de sfeer waarin dit zich afspeelde. Het is een goed voorbeeld van hoe onbespreekbaar het was. Hij hoopte al die tijd dat het bij hem niet waar was.Tragisch eigenlijk!’

Ellen: ‘We hoopten allemaal dat het niet waar was.’

Sjef: ‘Ik ben in die tijd ontslagen omdat ik homo ben. Of ik kon een baan ineens niet meer krijgen toen duidelijk werd dat ik met een man samenwoonde. Ze kozen voor een andere kandidaat die erhelemaal niet was! Om het beeld nog wat duidelijker te maken: wij woonden in de Korte Leidse Dwarsstraat. Tegenover ons woonden twee vrouwen. De ene woonde op zolder en de andere op eenhoog. Later bleek een van de twee bij dezelfde organisatie te werken als ik. Na een vergaderingnam ze me apart en zei: “Ik wil het er heel graag met je over hebben. Hoe doen jullie dat nou ?”. Waarop ik haar vroeg: “Wat bedoel je?”. “Nou”, zei ze, “jullie lopen gewoon samen op straat, laten samen de hond uit. Ik heb het idee dat iedereen weet dat jullie daar samenwonen. En dat willen wij ook, maar hoe moet je dat doen?”. Ik wist het antwoord niet eens.
Ja, behalve dan dat je het gewoon doet. Meer is er niet natuurlijk.’

Marijke: ‘Daar kwam bij de mensen uit deze generatie ook nog de aidsepidemie bovenop. Er zijn heel veel mensen gestorven, vooral in de mannenwereld. Je vrienden gingen dood. Dat alles bij elkaar heeft grote gevolgen gehad voor het sociale netwerk van de huidige generatie ouderen.’

Ellen: ‘Vergeet ook niet dat veel van onze mensen in het Roze Stadsdorp geen kinderen hebben. Kinderen die, als je oud en afhankelijk wordt, voor je zouden kunnen zorgen. Heel veel van onze mensen wonen ongewenst alleen. Zolang jeje goed voelt en je jezelf kunt redden kan dat prima gaan, maar op het moment dat jij ziek wordt of dementie krijgt, waar kun je dan terecht? Wat heb je dan nodig? Waar haal jeiemand vandaan die op je let? Wat moet er dan minimaal zijn? En welke woon- en zorgvoorzieningen zijn er dan? Daar moet beleid op komen!Iedereen is bang om af te takelen, zichzelf te verliezen en zijn ankers kwijt te raken. Angst voor eenzaamheid. Angst voor dementie. Die angsten ken ik ook.’                                                                     

 

Altijd uitleggen

Sjef: ‘We moeten meer mantelzorgen, zegt de overheid. Maar daar bedoelen ze altijd kinderen en familieleden mee. Dat is wat er altijd staat. Nou, die zijn er in ons geval vaak niet! Kinderen heb je niet en je familie heeft je vaak afgewezen. Je bent je eigen gang gegaan en dan moet je het ook maar zelf oplossen! Ook als je als niet-familielid zelf voor iemand zorgt, kunnen er vreemde situaties ontstaan. Zo heb ik eengoede vriendin, Nel, die een gevorderde dementie heeft en in een verpleeghuis woont. Ze heeft altijdalleen gewoond. Ik ben haar eerste contactpersoonomdat ze dat heel graag wilde. Maar ik val overal buiten. Ik ben niet haar man. Ik word er niet opaangesproken. Dat betekent dat ik altijd moet uitleggen hoe het zit.’

Ellen: ‘Je moet het altijd uitleggen. En als er wat gebeurt heb je geen enkel recht.’

Sjef: ‘Dat heb ik zelfs met mijn man Tom ondervonden. Ik ben met hem getrouwd nadat hij de diagnose dementie had gekregen. Ik lag daar ’s nachts van wakker. Ik heb me laten registreren als bewindvoerder, terwijl ik ook met hem getrouwd was. Omdat ik bang was dat als er iets gebeurde ik er ineens niet meer over zou gaan.


In het Roze Stadsdorp hebben jullie een werkgroep
Dementie. Wat doet die?

Ellen: ‘Wij organiseren bijeenkomsten om hetonderwerp bespreekbaar te maken. Wat is dementie? Hoe ga je ermee om en hoe ga je om met deander die dementie heeft? Hoe herken je het? En hoe waarschuw je iemand als je denkt: “Gaat het wel goed met jou?”.’

 

Be aware!”

Marijke: ‘Ondanks al deze zorgen wil ik toch ook nog een tegengeluid laten horen. Er zijn veel mensen uit onze gemeenschap die na de oprichting van het COC heel activistische mannen en vrouwen zijn geworden. Die hebben geprofiteerd van de tijdgeest en zijn heel strijdbaar geworden. Het Roze Stadsdorp bestaat niet uit kneusjes! Veel mensen stropen op hun oude dag nog steeds de mouwen op en zeggen: Be aware!”. Wij hebben als feministen en homoactivisten voor onze mensen en voor onze zaak gestreden. En dat blijft nodig. Want het lijkt alsof het allemaal voor de bakker is. Nou, dat is het helemaal niet!’


Tekst: Frans Hoogeveen oktober 2025
Frans Hoogeveen is gz-psycholoog en oud-hoofdredacteur van Denkbeeld
(nu DementieVisie)