Verhalen, gedichten en meer uit de nieuwsbrieven

‘Haar Verhaal’

door Nelleke Oepkes

Net toen ik dacht “Ik kan mijn haar bijna in vlechtjes doen”, gaf het kabinet het groene licht! Vanaf 11 mei zijn de kapsalons weer geopend! En op 27 mei hebben mijn haar en ik eindelijk een afspraak bij mijn ‘lijfkapper’ Miguel. Wij verheugen ons!

Er bestaat een foto van mij als driejarige in een door mijn moeder gesmokt jurkje aan de ontbijttafel: mijn steile haartjes zijn min of meer gevlochten in twee staartjes en door een elastiekje met een eraan bungelend poppetje weer opgebonden. Ik was er heel trots op en noemde ze mijn apenschommeltjes. Bovendien had ik – nog leuker – een pony. Mijn apenschommeltjes hebben maar twee jaar mogen bestaan, op mijn vijfde ging de schaar erin. Kort, glad, recht afgeknipt haar met een scheiding links en een schuifje rechts. Zo werden heel veel meisjes geknipt in die tijd. Kijk maar naar de Oranjekalenders van Pro Juventute, waar de prinsesjes allemaal hetzelfde kapsel hebben met een grote witte strik voor feestdagen. Weg pony, weg weelderige lokken in het Wirtschaftswunder-tijdperk. Die zouden pas weer in volle glorie terugkeren met de flower power.

In 1966 ging ik studeren in Amsterdam. Ik liet mijn haren en mijn pony weer groeien, ging kleding dragen uit grootmoeders tijd (nu vintage geheten), werd onwederkerig verliefd op een vrouwelijke medestudent en ontdekte de sombermooie, decadente poëzie van Baudelaire. De LP van Barbara ‘A mourir pour mourir’ werd grijs gedraaid naast die van Bob Dylan, ‘Blonde on Blonde’. Het was de tijd van ‘De Verschrikkingen van het Noorden’ door Andreas Burnier, waarin de lesbische liefde vrijuit beleefd en beleden werd. Maar ook die van ‘De thuiswacht’ door Dola de Jong, over verliefdheid tussen twee meisjes zonder happy ending.

Uit die tijd stamt een portret van mij gemaakt door een beroepsfotograaf die in opdracht van mijn moeder haar drie dochters heeft vereeuwigd. Onder mijn haren uit kijk ik existentieel gelaten de wereld in. Ik vond het leven destijds maar een matig genoegen: studie liep niet, de liefde al helemaal niet en ik vond het leven alleen op kamers zwaar wennen. Ik herinner mij dat ik mijzelf moed inzingend met Summertime van Gershwin over straat fietste. Een heer passeerde mij met de opmerking: “Wat moet u gelukkig zijn, dat u zo zingt.” “Meneer, u moest eens weten”, riep ik.

De krullen kwamen eraan. Ik had ze niet, maar in navolging van het echte krullenkapsel van Willeke van Ammelrooy in de Surinaamse film Wan Pipel, liet ik mijn haren permanenten – heel anders dan het vijftiger jaren permanentje van mijn moeder – en zo tuimelde ik een wilde, gekleurde wereld binnen. Ik ging op avontuur. Mijn beha ging uit. Die heb je niet nodig bij het stappen, riep ik, en met bengelende borsten dook ik de drukke disco van het COC in. Vijfentwintig gulden, genoeg voor een taxi terug naar huis waarvandaan ook, en een schone onderbroek vormden mijn standaarduitrusting. Ver van mijn bed rolden de golven van het Tweede Feminisme, ik surfte mee maar trad nooit toe. Dat heb ik alleen bij de CPN gedaan. Een groter breuk met vroeger was niet mogelijk.

En toen vertoonden de eerste grijze haren zich. Aanvankelijk werden ze uitgetrokken, maar daar bleek geen beginnen aan. Het peper-en-zouttijdperk brak aan. Mijn haar was niet donkerblond, niet lichtbruin, niet grijs, niet wit en glansloos. Kortom onbestemd van kleur. Ik was in een oud meisje veranderd. Blond of bruin verven stond potsierlijk. Coupe soleil was het antwoord, goed voor kleur en humeur. Mij heugen nog sessies bij de kapper: een badmuts met gaatjes op mijn hoofd, waardoor plukjes haar getrokken werden, die vervolgens gebleekt en geblondeerd werden. Twee uren lang duurde dat!
Gelukkig vermeerderden de grijze haren zich en werden een grijze lok. Tres distinguée! Zo deed ik, gehuld in roze strokenrok en de armen bedekt met rinkelende armbanden (mijn collega’s van toen hebben het er nog over) mijn intrede als barvrouw op de Vrouwenavond van het naar de Rozenstraat verhuisde COC. “Je bent toch ooit op een vrouw verliefd geweest? Nee hoor, we zijn niet streng.”

Nel OepkesAl in mijn tweede dienst viel ik als een blok voor het stralende bruinogige bestuurslid. En toen werd het stappen in kroegen, boshutten met dansgelegenheid, gymlokalen en heuse dancings. Ja, het was voor mij de doorbraak van de liefde die zich nu openlijk damesliefde mocht noemen. Uit die periode stamt een foto uit het wereldberoemde tijdschrift De Leesbril, (motto: Voor een vrolijke oude dag), waarin ik stukjes schreef over mode, beauty en andere vluchtige onderwerpen.
Ik staar van de cover af als een vrouwelijke variant op een vintage heer: haren glad naar achter getrokken met een zwartsatijnen strik à la Mozart, glitter costume jewelry in de oren en in rokkostuum. De naaldhakken waren jammer genoeg op de foto niet te zien. Ik vond en vind namelijk dat een detail uniformiteit mag doorbreken, soms zelfs de rigueur is.
Wat was ik blij toen ik definitief egaal grijswit werd. Het leidde tot de geboorte van een nieuw hoofd: Ellie Lust, maar gedecimeterd in plaats van gemillimeterd. Ik doopte het Coupe Paardenbloem en was er zeer tevreden mee.

Het is nu al heel lang kort en het blijft zo.
Hopelijk komt er geen nieuwe pandemie, die mij terugdrijft naar mijn kleutertijd.
Hoewel, een zeventigerplusser met witte apenschommeltjes? Ik kan niet wachten op de foto.

75 jaar bevrijding voor wie?

Een column door Cor Boot

Een historicus ben ik niet, dus schrijf ik als een columnist over ‘75 jaar bevrijding voor onze roze community vanuit homoperspectief’. Vooral het woord ‘homoperspectief’ maakt mijn kijk op 75 jaar bevrijding niet eenduidig. Hoe zie ik die 75 jaar bevrijding, als hedendaagse Amsterdamse homo? Ik denk bij bevrijding aan: van wie en wat, waar, wanneer en hoe?

De ‘homobevrijding’ is voor mij diffuus.
Aan de ene kant denk ik aan – vooral Duitse – homo’s die opgepakt en in concentratiekampen geplaatst werden; ze behoorden tot de laagsten binnen de hele hiërarchie van concentratiekampgevangenen, ze waren m.a.w. het ‘uitschot’ van het concentratiekamp. Het toneelstuk ‘Bent’ en het boek ‘De mannen met de roze driehoeken’ vertellen hun verhalen. Dit jaar vieren we als roze gemeenschap hun bevrijding uit het concentratiekamp. Maar daarna waren hun problemen nog niet opgelost: erkenning en vergoedingen bleven lang uit.

Aan de andere kant denk ik aan Nederlandse homo’s; zij werden niet opgepakt, er was in Nederland geen systematische vervolging. Na de Tweede Wereldoorlog werden zij wel gediscrimineerd – vooral in de jaren ’50 – en onmenselijk behandeld als ze in therapie gingen (denk aan chemische castratie). Een duidelijk, maar Engels, voorbeeld is Alan Turing, bekend van de film ‘Imitation Game’. Eindelijk krijgt hij nogmaals eerherstel: in 2021 zal zijn portret op een 50 pond biljet staan.

Wat gaf de internationale homogemeenschap dan wel meer ‘bevrijding’? Dan denk ik aan 1970: de eerste Gay Pride in New York en aan 1971: de afschaffing van artikel 248-bis in Nederland. Als ik terugreken is die bevrijding dus 50 jaar oud.

75 jaar bevrijding is voor onze Nederlandse roze gemeenschap, volgens mij, een relatieve bevrijding, Niet eenduidig, want is het nu 75 of 50 jaar? En ik weet dat er binnen de lhbtqi+-gemeenschap nog meer kanten aan zitten; ook die zijn niet eenduidig.

Maar in ieder geval is er in 2020 iets te vieren en te herdenken: een bevrijding die nog maar het begin is van wat komen zou en zal. Eigenlijk: een bevrijding die niet helemaal af is, en dat al na 75 jaar…

Nieuws van het front

JJ Rijkhoff (JJ voor vrienden) werkt al lange tijd op de IC van het AMC. Hij is dus keihard bezig in deze coronatijd. Nu het iets rustiger is geworden heeft hij tijd gevonden om ons een impressie van zijn werk te sturen.

JJ Rijkhoff werkt op de IC van het AMCEven een korte op-de-hoogte-brenger. We zijn natuurlijk allemaal door een rare tijd gegaan en nog. We hebben op de IC een hele bizarre periode achter de rug. Eigenlijk nog wel, hoewel de grootste druk van de ketel is en er toch ook binnen de covid-cohort IC’s gewenning en routine is gekomen. Van drie volledige cohorts op de eigen IC-plek en één extra gecreëerde unit voor de reguliere IC-zorg (locatie uitslaapkamers, want er werd toch nauwelijks geopereerd) zijn we vanaf afgelopen vrijdag weer helemaal terug op de eigen locatie met nog “slechts” één IC in covid-cohort.

In cohort betekent: de hele dienst op een totaal geïsoleerde vleugel binnen het IC-gebied en dus in zo’n vreselijk pak waarvan met name de bril en het mondmasker niet fijn zijn. Ze mogen geen seconde af en je hebt ze dus 8 uur (in de nachtdienst zelfs 9 uur) op. En eenmaal binnen mag je ze niet meer aanraken; dus jeuk en knellende elastiekjes zijn een hele uitdaging. De warmte van het pak en 8 uur ademen door zo’n kapje….

En van cohort af moet je de gecontamineerde outfit weer uitdoen volgens een strakke uitkleedprocedure. We gaan ook maar één keer per dienst eraf voor eten, drinken en de wc. Dit om materiaal te besparen. Maar nu we nog slechts één cohort hebben mag je twee keer eruit per dienst.
De patiënten zijn doodziek, er werd veel gestorven. Ze lagen steeds 16 uur per dag op de buik aan de beademing met bizar hoge instellingen van de machines. En dus werd iedereen diep gesedeerd, want anders is het martelen. Verder geen bezoek, alleen rond overlijden twee personen. Vreselijk allemaal. De kinderartsen (ook weinig te doen) deden op afstand het telefonisch contact met de families zodat wij daarin werden ontlast.

Omdat we véél meer personeel nodig hadden werden artsen die weinig te doen hadden, zoals orthopeden, chirurgen, gynaecologen, oogartsen, KNO-artsen, maar ook verpleegkundigen (zonder aantekening), anesthesiemedewerkers enz. ingezet. Wij deden dan de supervisie over een groepje patiënten voor wat betreft de beademing, medicatie enz. en zij voerden de zorg uit onder ons toezicht, waarbij wij (IC-verpleegkundigen) de eindverantwoording hielden. Samen met de intensivisten (artsen van de intensive care).
We begonnen dan 15 minuten eerder voor briefing en kennismaking met steeds nieuwe collega’s die het allemaal heel spannend vonden. En zelf heb ik ook veel meer gewerkt de afgelopen tijd. Na iedere dienst was er de mogelijkheid tot opvang door psychologen en spv’ers, indien je daar behoefte aan had.

Maar goed, de piek is nu dus voorbij bij ons. We wachten af wat er gaat gebeuren nu er meer mag in de maatschappij. We kunnen zo weer opschalen, we hebben nu die ervaring. En ook meer ervaring met covid.
Ik heb veel geleerd en hele bizarre dingen gezien en meegemaakt. We beseffen ook dat het medisch gezien geschiedenis is wat we maken en meemaken.
En het kostte bakken met energie, maar ook dat gaat gelukkig veel beter nu. 

​Werkgroep Eenzaamheid

Naar aanleiding van de themamiddag over eenzaamheid van het RSA besloten Erik Swierstra, Franz Bonsema en Ans Brugman de themagroep Eenzaamheid RSA in het leven te roepen. De informatie van de GGD dat 1 op de 10 Amsterdammers eenzaamheid kent, bracht ons op 70 Roze Amsterdammers met die gevoelens. Hoewel weinig respons op onze eerste uitnodiging, besloten we een eerste keer samen te komen maar…..

Nee, dat hadden we natuurlijk niet gedacht. Dat toen we huize Lydia half januari met het gezelschapsspel ‘Hoe is het?’ onder de arm verlieten, dat een eerste bijeenkomst met belangstellenden, nu eind juni, er nog steeds niet is geweest.
Met Marijke en David bespraken we toen hoe een en ander aan te pakken en plaatsten een oproep in de RSA Nieuwsbrief. Ter voorbereiding speelden we het spel twee keer.
Aangename middagen waren het, we leerden elkaar kennen en hadden plezier. Totdat we onze eerste afspraak met belangstellenden eind maart meteen al moesten annuleren. Het C-virus had ook Mokum bereikt….

Maar wat een mooie middagen hebben wij, Erik, Franz en Ans, sindsdien gehad. Om het contact niet meteen al weer te laten verwateren én om te voorkomen dat we, zó veel thuis, tegen de muren op zouden vliegen, spraken we een middag af in het Vondelpark, keurig op 1,5 meter afstand van elkaar. Omdat Erik een ware gids bleek die ons naar verborgen en onbekende plekken bracht en ons van de nodige achtergrond informatie voorzag, vloog de tijd om. Kunstwerken die we nooit eerder zagen, doemden op en half afgezaagde, dode, kale en niet verwijderde bomen. Beslist Kunst vonden we, hou-en zo!
Wat een hoeveelheid jonge eenden ook, verschillende soorten en net uit de grond gekomen planten! Af en toe zoeken naar twee banken naast elkaar, met z’n drieën heb je nu toch gauw zo’n 4 meter nodig. Voor herhaling vatbaar, zeiden we toen.
Dus gingen we nóg een keer naar het Vondelpark.

En, inmiddels voelt het alsof Amsterdam 2 x zo groot én 2x zo groen is geworden. We liepen de Sloterplas rond, herontdekten Flevopark en Amstelpark. Overal nooit eerder geziene kunst ontdekt en dankzij Erik ook ons historisch bewustzijn van de stad op peil gebracht en hoe en waar die beschermd werd/wordt tegen te hoog water.
De plek bij het Amsterdam Rijnkanaal bekeken waar af en toe een lijk uit de onderwereld wordt gedumpt en geleerd dat de Sloterplas, het zwemgedeelte althans, vroeger echt veel beter was én gezelliger.

Nogmaals, nu écht definitief, afscheid genomen van de Onze Lieve Vrouw van Lourdes parochie (zonder toren, de poen was op) waar Ans op haar 14e brak met het katholieke geloof.
Deze week gehoord: ‘Sommigen hebben hun religie, wij hebben het RSA’.
En zo is het maar net!
Erik, Franz, en Ans.

AfbeeldingZEBRA’S IN WANKELE TIJDEN

Ben waakzaam op zebra’s in wankele tijden.

De zebra geeft ons een gegarandeerde en veilige overtocht naar de overkant. Wat te doen als deze kwaliteiten onverwacht verdwijnen. Dan lopen we de kans in de diepte te vallen of moeten we verder gaan over de ongemakkelijke smalle en ongelijke resterende stukken van het zebrapad met het gevaar letsel op te lopen. We kunnen beslissen niet over te steken. De corona bezorgt ons soortgelijke dilemma’s. Ben voorzichtig en vermijd risico’s. Gezondheid prevaleert. 
Rud Perree – Beelden in steen en in polyester

Het koolmeesje

Hoor ‘s morgens vroeg de vogeltjes zingen maar miste het kleine Koolmeesje.
Nu hoorde ik zojuist op de radio dat zij/hij aan het virus is overleden.

Hoe zal het met de struiken en bomen gaan?
Sterft de hele aarde uit met ons er bij?

Ik hoop toch nog op een betere toekomst, jullie ook?
Want in mei leggen alle vogeltjes een ei, behalve de koekoek en de spriet die leggen in de meimaand niet.

Mijn naamgenoot gelukkig wel.
Dus wens iedereen een mooie meimaand.

Mar van Spreeuwel

Gedichten Jeannine van Dijck

 
Kleurrijk

De regenboog vlag
waait met vlagen
volhardend
tegen winden in

Geen Corona-pride

Dit jaar geen pride
geen canal-parade
geen ge-etaleerde trots
op wie we zijn
en wat we doen
voor elkaar
voor onszelf
vaak tegen de verdrukking in

Fier staan we
naakt of flamboyant
voorop het schip
swingend, slijpend
op discoklanken
te zijn wat we zijn
deel van de mensheid
alleen iets meer
uitgelaten
op die dag
en op vele anderen
in de zomertijd

 

 

>

Vrouw bij vrouw
Man met man
Trans bij trans of
vrouw of heer

Deze
zomer
roze
laken
een vlag of vaandel
uit t raam
of meer

Onze trots
zal door corona
of ander rampspoed
niet vergaan

We proosten
op gepaste afstand
op het kleurrijke
bestaan

tot 2021
25 jaar…

Jeannine van Dijck