Interviews met en door mensen van het Roze Stadsdorp Amsterdam

Interview met Lucie Gunsing

lucie gunsingMENSEN MONDIGER MAKEN IS MIJN MISSIE

Interview met Lucie Gunsing, coördinator van de Buurtgroep Centrum West en lid van de Commissie buurtgroepen.

Lucie Gunsing behoort tot de Roze Stadsdorpers van het tweede uur. In 1998 leerde ze tijdens de Gay Games Ineke Kraus kennen die later het Roze Stadsdorp Amsterdam (RSA) zou oprichten. Een netwerk van oudere LHBTQI-ers in Amsterdam sprak Lucie meteen aan en ze stapte al snel in. Toen het plan ontstond om ook op buurtniveau initiatieven te ontplooien, haakte Lucie bij drie buurtgenoten aan om vorm te geven aan de Buurtgroep Centrum WestInmiddels is zij mede-coördinator.

“Naar de eerste bijeenkomst van de buurtgroep kwamen zo’n 25 mensen. Het was de bedoeling drie keer een ontmoeting te plannen om elkaar te leren kennen. Voor sommigen voelde het kennelijk wat onwennig, want de tweede keer kwam nog maar de helft opdagen. Aan onderlinge hulp bleek niet direct behoefte. Vrijwel iedereen kon daarvoor op een eigen achterban terugvallen. Dubbeling met activiteiten die al centraal voor de hele stad werden georganiseerd, was niet zinvol. Wel werd meer persoonlijk contact toegejuicht. Inmiddels hebben 20 buurtgenoten de weg gevonden naar onze maandelijkse borreltafel in café Saarein; per keer zijn gemiddeld 10 van hen aanwezig.”

Van bedeesd eendje naar extraverte zwaan
lucie gunsing jongWie de Lucie van nu op zestigjarige leeftijd ontmoet, kan zich nauwelijks voorstellen dat ze – volgens eigen zeggen – tot in haar studententijd een schuchter meisje was. Ze doorliep plichtsgetrouw de middelbare school in Oss en de HBOV (hoger beroepsonderwijs verpleegkunde) in Eindhoven. In het laatste studiejaar werd Lucie wakker. “Ik kreeg het steeds moeilijker met het systeem in de zorg en kon niet langer aanzien dat patiënten daar vaak de dupe van werden. Ik deed bijvoorbeeld te lang over het wassen van patiënten en besteedde te veel tijd aan het zelf laten uitkiezen van hun kleding. Mijn ideaal om iets voor mensen te betekenen kon ik hier niet verwezenlijken.”

Lucie zocht een maatschappijkritischer studie en schreef zich in voor de parttime opleiding inrichtingswerk aan de sociale academie De Horst in Driebergen. Ze ging bij een Blijf-van-mijn-lijf-huis werken en trok zich vooral het lot van de daar wonende kinderen aan. Vervolgens ging Lucie zich op overkoepelend niveau met het begeleiden van die kinderen bezighouden. Ook werd ze voorzitter van het landelijk overleg Blijf-van-mijn-lijf-huizen. Na enkele andere banen, eerst als groepswerker en later als beleidsmaker, keerde Lucie in 2006 terug naar haar oude werkveld. Ze is nu kindbegeleider van Blijf Groep (zoals een Blijf-van-mijn-lijf-huis tegenwoordig heet) locatie Zaanstreek/ Waterland. Lucie zit in de ondernemingsraad en is lid van de interne auditcommissie.

Ik houd van mensen, maar een relatie wil ik met een vrouw
“De eerste keer zoenen met een vrouw was een openbaring. Ik kwam thuis… Vanaf dat moment wilde ik alleen nog maar een relatie met een vrouw. Die kwam er al gauw. Ik vlinderde in het begin en kreeg daarna enkele serieuze relaties. Al heel lang leefde er een kinderwens. Ik zette de Werkgroep alleen moederen op om met andere vrouwen te sparren en gezamenlijk in actie te komen. Zoals vaak lag er een kloof tussen droom en daad. Het duurde lang voordat ik geïnsemineerd kon worden. Uiteindelijk was de cirkel rond. Ik werd zwanger en ontmoette de vrouw die de meemoeder van mijn twee dochters is geworden. Myla van 21 studeert nu commerciële economie, Yoeke van 19 biomedische wetenschappen. Mijn vroegere passie voor sport (volleybal en tennis) heeft Yoeke meegekregen. Zij werd Nederlands kampioen tafeltennis en speelt in het team van de eredivisie. De meemoeder en ik zijn drie jaar geleden uit elkaar gegaan. Maar de gezinsband is gelukkig overeind gebleven.”

BOM
Op haar werk sprak Lucie zich tegenover cliënten niet uit over het lesbisch zijn. Ze vond het veiliger zich voor te stellen als Bewust Ongehuwde Moeder (BOM). Destijds een emancipatorische noviteit waarop Lucie graag meeliftte.
“Hoewel van een open sfeer zoals in de tv-serie De Luizenmoeder nog geen sprake was, hoefde ik op het schoolplein gelukkig geen verstoppertje te spelen. Halverwege de basisschool heb ik mijn kinderen verteld dat zij geen vader hebben, maar een anonieme donor. Ik kreeg veel steun van mijn moeder die enorm blij was met twee onverwachte kleinkinderen.”

De betekenis van het Roze Stadsdorp Amsterdam
“Ik vind het van groot belang in contact met anderen mezelf te kunnen zijn en natuurlijk ook dat anderen zichzelf kunnen zijn. Dat gevoel ervaar ik tijdens de bijeenkomsten van het Roze Stadsdorp. Het fijne van de contacten met Roze Stadsdorpers is dat we elkaar vaak met een half woord begrijpen. En dat het maken van roze grapjes iets vanzelfsprekends is.
Door het Roze Stadsdorp Amsterdam ontstaat er als het ware een roze netwerk in de stad. En via de buurtgroepen maak je kennis met je roze (bijna) buren. Ik denk dat dit kan bijdragen aan het voorkomen van het op latere leeftijd ‘terug in de kast’ moeten gaan en vereenzamen.”

Missie
Mensen mondiger maken om zich te ontwikkelen en meer te bereiken is altijd Lucie’s missie geweest. “Uit werk en persoonlijke ervaring weet ik hoe zinvol het is voor jezelf en voor anderen op te komen. Ook binnen het Roze Stadsdorp probeer ik te stimuleren en activeren om op oudere leeftijd zo veel mogelijk uit het leven te halen. Daarom ben ik lid geworden van de Commissie buurtgroepen die als denktank van het bestuur van het Roze Stadsdorp adviseert over wat er in de toekomst voor onze community kan worden ontwikkeld.

Het elkaar leren kennen binnen het Roze Stadsdorp en het ontstaan van wederzijds vertrouwen kan de drempel verlagen om zo nodig ook in praktisch opzicht iets voor elkaar te betekenen. Het is voor velen van ons minder vanzelfsprekend dat familieleden voor ondersteuning zorgen. Het zou mooi zijn als via het Roze Stadsdorp af en toe ook een praktisch ‘handje helpen’ zou kunnen ontstaan. Want zeg nou zelf: hoe veilig voelt het om onder elkaar te zijn, ook wanneer je dat eens nodig hebt.”

Jaap van Riemsdijk

Interview met Ronald Visser

door Haidy Möller

Ronald Visser (56) is teamleider afdeling Infectieziekten van het Amsterdam Universitair Medisch Centrum (locatie AMC). Hij is een happy single, woont 6-hoog in een appartement aan de rand van het centrum van Amsterdam. Ik heb niet de neiging om me aan de 1,5 meter afstand te houden, want Ronald heeft Covid-19 al achter de kiezen.

Ronald VisserHoe zag het begin van de coronacrisis eruit voor jou?
Toen het in Brabant begon zagen wij in het AUMC die enorme eerste golf nog niet aankomen. Op vrijdag de 13e maart werd plotseling besloten om flink op te schalen. Het is in één dag gelukt om de afdeling om te bouwen naar een covid-afdeling met cohortverpleging, een ongekende bijzondere prestatie. Cohortverpleging houdt in dat er alleen maar covid-patiënten liggen. Wij zeggen dan dat de hele afdeling ‘vies’ is. Je hoeft je niet meer om te kleden, omdat alles besmet is. Dus loop je continue in beschermingsschorten, met handschoenen, mondkapje en bril op.

En toen de golf kwam bleek alles heftiger dan we hadden verwacht. Vanaf 15 maart lag bijna het hele ziekenhuis stil. Ook mocht er geen bezoek meer komen. Mijn afdeling en de IC konden zo het nodige extra personeel inzetten. De artsen en verpleegkundigen kwamen van met name de Chirurgie-afdelingen, omdat er bijna geen operaties meer plaatsvonden. Omdat het om relatief eenvoudige zorg ging, kon dat makkelijk. Er lopen in een academisch ziekenhuis natuurlijk ook veel onderzoekers rond, die bloed e.d. van de patiënten testen. De psycholoog bij wie je je verhaal kwijt kon, was een goed idee van het ziekenhuis. Je werkte dus allemaal met heel andere collega’s in een heel nieuwe setting. Dat ging erg goed, iedereen was flexibel en bereid ander werk te doen dan gebruikelijk.

Waren jullie niet ongerust over besmettingen?
Daar waren we niet zo mee bezig, veel te druk met ons werk. Zelf ben ik er nooit zo bang voor geweest. Lang geleden werkte ik op de HIV-afdeling van het AMC. De jonge homomannen daar gingen onherroepelijk dood en dat door iets wat iedereen deed: seks. Dat maakte toen wel flinke indruk op me, want het kwam persoonlijk erg dichtbij. Nu maakt covid de meeste slachtoffers onder oudere mensen met onderliggend lijden zoals overgewicht, diabetes, longaandoeningen, immuunziektes, hartproblemen. Maar we zien ook wel wat jongere patiënten nu, vijftigers, die dat niet hebben.

Op een gegeven moment begon ik te hoesten en had ik veel last van hoofdpijn, wat ik nog nooit had gehad. Maar ja, iedereen had hoofdpijn van de stress. Ik testte positief op covid en bleef twee dagen thuis. Ik sliep slecht, mijn reuk was weg, maar ik had geen koorts. Ongeveer 14 directe collegae bleken ook besmet. Slechts een collega werd heel ziek, met flinke ademhalingsklachten, verder hadden we relatief lichte klachten. Nu hoop ik immuun te zijn; zodra het kan laat ik me testen op antistoffen.

Hoe is de situatie nu op je afdeling?
Nu zijn we afgeschaald naar een paar kamers. Ook krijgen we weer reguliere patiënten. Covid-patiënten mogen we niet weigeren, waardoor regelmatig de andere patiënten naar andere afdelingen moeten. Het is een enorme operatie om de opschaling en afschaling logistiek te regelen. Alle kasten en voorraden staan er nog, dus we kunnen direct opschalen bij een volgende golf. Er is soms te weinig, maar soms ook te veel personeel, ik moet voortdurend bijsturen. Een voordeel is dat men geen problemen heeft met mijn dienstlijsten, want niemand heeft vakanties, festivals of wat dan ook gepland.

Wat valt je op in deze tijd?
In mijn ogen reageren veel mensen veel te angstig. Ook mensen die niet tot een risicogroep behoren. Soms kunnen zij rationele boodschappen niet meer horen. Uiteindelijk zijn ze bang voor het onbekende en voor de dood. Tegelijkertijd zijn ze niet bang om in een auto te stappen, terwijl dat toch ook een kans geeft op narigheid. We kunnen in onze cultuur niet goed omgaan met de dood. Op een bepaalde leeftijd moet je toch beseffen dat de dood dichterbij komt. Zelfs bij tachtigers zie ik dat de gedachte aan doodgaan schokkend kan zijn.

En die mondkapjes! Om tegemoet te komen aan de angst van mensen zijn ze verplicht in het openbaar vervoer. Belachelijk en het helpt ook niet. Vooral doordat mensen niet weten hoe je die mondkapjes áf moet doen is de kans om jezelf te besmetten groter. En als je zelf coronaverschijnselen hebt blijf je gewoon thuis. Ik doe echt niet mee aan die hysterie.

De media geven vaak een vertekend beeld. We moeten elke dag horen hoeveel coronadoden er zijn. Maar de cijfers over kankersterfte worden niet dagelijks vermeld. Vooral in het begin wekten die snel stijgende aantallen angst op. Nu de sterftecijfers zo laag liggen door de genomen maatregelen begint men de schouders erover op te halen. Het wordt nu ook zichtbaar dat er veel mensen, denk aan hartpatiënten, overleden zijn, omdat ze niet of te laat werden geholpen.

Hoe we met dementerenden in verpleeghuizen omgaan vind ik echt onmenselijk. Zijn zij gebaat bij een paar maanden langer leven in eenzaamheid, of zou een iets korter leven, maar dan wel in het bijzijn van vrienden en familie, te verkiezen zijn?

Hoe zie je de toekomst voor je?
Ik heb daar niet zo’n fraai beeld van. Als we covid onder controle hebben gekregen, zitten we dan niet heel diep in de problemen? Het ene na het andere bedrijf zie ik al failliet gaan. Miljoenen mensen die hun baan verliezen, de huur en de hypotheek niet meer kunnen betalen, op straat staan. Het huidige drama is nog niets vergeleken bij wat komen gaat. Dan vraag ik me af: hoe hoog is de prijs die we zullen betalen? Terwijl het in Nederland nog mee zal vallen vergeleken bij grote delen van de wereld. Ik denk dat deze coronacrisis nog maar een voorproefje is van grotere pandemieën, waarbij honderden miljoenen zullen sterven. De planeet kan onze overbevolking simpelweg niet aan. In positieve zin hoop ik dat deze heftige periode veel nieuwe inzichten en veranderingsprocessen op gang brengt en dat die de wereld en ons ook op persoonlijk niveau ten goede zullen komen.

Van de wereld naar dat persoonlijk niveau: wat doet de coronacrisis met jouw leven?

Sommige buren wilden niet meer met mij in de lift toen ze wisten dat ik corona had gehad. Vond ik overdreven, want ik was toen allang beter.

Wat ik mis is even met vrienden na het werk een borrel drinken, naar het openluchttheater in het Vondelpark, het Milkshake-festival in het Westerpark, de Gay Pride in Keulen.
Het is wel heerlijk dat ik nu weer eens kan wandelen en fietsen in Amsterdam, naar no-go-areas, zoals het Leidseplein, het Rembrandtplein, de Damstraat. Fantastisch! Ik heb een fotoreportage gemaakt van de lege stad.

Wat ik als positief ervaar is het besef dat ik ‘mijn huiswerk’ in het leven goed gemaakt heb. Ik heb heftige minder leuke dingen meegemaakt. De uitdaging daarin is wat je er zelf mee doet om ervan te leren en verder te gaan. Daardoor sta ik met veel acceptatie en vertrouwen in het leven en ben ik niet bang. Mocht ik ernstig ziek worden, of morgen onder de tram komen, dan heeft dat zo moeten zijn.

Interview met Rita Verpalen

door Jacqueline Janssen

Leven en liefdes in de Nieuwmarktbuurt

Rita Verpalen, 66 jaar, heeft een gevarieerd liefdesleven achter de rug. Ze begint in de zeventiger jaren met jongens in de kroeg na afloop van de ‘Jongerenmis’ in het katholieke Bergen op Zoom. Crushes op meisjes ervaart ze ook, maar wat dat is, is onbestemd en onbenoemd.
Al van jongs af heeft ze een kinderwens. Tegen haar veertigste vindt ze een alternatieve manier om die wens te vervullen. Vrienden die boven haar wonen krijgen een jongetje en Rita gaat een etmaal per week voor hem zorgen. Dit doet ze uiteindelijk 14 jaar. Ze is erg tevreden over deze tweede-moederrol: ‘Het is het beste alternatief voor een eigen kind.’ Het ‘leenkind’ – nu 27 jaar – zegt dat zij hem heeft geleerd over zijn gevoelens te praten.
Na onder andere twee langdurige liefdesrelaties met vrouwen leeft Rita alweer jaren alleen. Binnenkort volgt een spannende nieuwe stap: ze gaat deel uitmaken van een WOOS, Woongroep voor Ouderen Oude Schans bij haar om de hoek. Een heel diverse en deels roze leefgemeenschap.

Rita VerpalenSleutelen in San Francisco
In Amsterdam maakt zij kennis met lesbo’s binnen de kraakbeweging en stapt ze het lesbische leven in. Begin jaren tachtig woont zij in bruisend gay San Francisco, vindt daar een liefde en maakt deel uit van een sterke diverse lesbische gemeenschap.
Haar lief is elektricien, zelf werkt Rita in een vrouwengarage. De autotechniek en het zelf sleutelen aan je auto staan voor de absolute autonomie van de lesbo.

Het concept van een vrouwengarage, als werkplaats maar ook als opleidingsplek voor de vrouwelijke automonteur, neemt Rita mee terug naar Amsterdam. Zij richt samen met Cora Vlaar De Knalpot op. Dit wordt een aansprekende en succesvolle garage voor vrouwen, die veel vrouwen inspireert en die zes jaar lang een bloeiend bestaan leidt. Rita – oorspronkelijk opgeleid als cultureel werker – laat zich omscholen; ze wordt automonteur.

Rita voelt zich uitgedaagd
Het grappige is dat Rita zich later realiseert niet veel technische competenties te hebben maar vooral over talent in de creatieve hoek te beschikken. Ze schoolt zichzelf voor de tweede keer om en werkt geruime tijd voor de Amsterdamse Rechtbank als mediator bij vastgelopen omgangsregelingen.
Nu werkt zij al een jaar of 18 op Schiphol in de winkel van het Rijksmuseum. Leuk werk dat haar interessante ontmoetingen biedt met een internationaal publiek. Daarnaast zoekt ze steeds vernieuwing en engagement in allerlei vrijwilligerswerk.

In San Francisco maakt zij de beklemming mee van de aidsepidemie en haar dodelijke slachtoffers. Door deze ervaring wordt ze actief in een Buddy Project.
Samen met een maatje is ze buddy voor een man die al zes buddy’s heeft versleten. Ze worden vooraf gewaarschuwd, haar maatje haakt af, maar Rita voelt zich uitgedaagd. Zij kan het niet over haar hart verkrijgen om deze narrige man, die vanuit eenzaamheid iedereen van zich afslaat, in de steek te laten. Er volgen vele confrontaties en langzaam maar zeker ontstaat er een band, die overigens nooit benoemd wordt. Dat ze van betekenis is geweest, leest ze in een bedankbrief van zijn streng christelijke ouders na het afscheid.

Vanuit de behoefte om nu eindelijk eens tijd te maken voor zichzelf, besluit Rita haar creatieve talenten te verkennen. Zij volgt enkele jaren ‘Artless’, waarin haar collages door twee Rietvelddocenten besproken en beoordeeld worden.
Haar trots is een ‘omslagontwerp’ van de VPRO-gids. Het ontwerp is een collage van oude gidsomslagen en is gepubliceerd in VPRO Etalage.
In 2019 doet ze mee aan de Atelierroute in de Nieuwmarktbuurt en verkoopt tot haar verrassing meerdere werken.

Meer geluk dan grijsheid
Hoe sta ik in de wereld? Hoe kan ik mijn blikveld blijven verruimen? Hoe kan ik en blijf ik met compassie iedere medemens tegemoet treden? Vragen die Rita bezighouden. Voor verdieping vindt ze inspiratie in de verkenning van het begrip existentiële eenzaamheid. Zij leest boeken van Ton Jorna & Willem Voois en van Jean Jacques Suurmond. Ook de boeken van Etty Hillesum brengen betekenis door de manier waarop zij, als ondergedoken Joodse vrouw, een positief mensbeeld vasthoudt. Existentiële eenzaamheid geeft een mogelijkheid tot zelfwording en zinvinding. Belangrijke begrippen en inzichten voor wie niet cynisch en zuur wil worden, maar zich wil blijven ontwikkelen. Rita is altijd heel outgoing geweest, maar leert zichzelf nu op een nieuwe manier kennen. Ze is graag alleen om over dit thema te lezen in haar tuinhuis tussen het groen. ‘Meer geluk dan grijsheid’ is inmiddels haar motto en haar streven in het leven.

Zo hoort het ook
Rita vindt corona een lastig gegeven. Het lijkt zo abstract, zij maakt geen ziekte of overlijden in haar directe omgeving mee. Dat ze haar vrienden en familie niet aan mag raken vindt ze een groot gemis. Ook overtreedt zij soms de regels. Tegelijkertijd vraagt zij zich af: ‘Steek ik mijn kop in ’t zand?’

De discussie over de zelfbeschikking van ouderen over hun eigen leven versus de medische cultuur van doorbehandelen en versus de christelijke norm dat alleen God over het leven beschikt, vindt Rita een interessant gegeven.
Ook is ze zich bewuster van generatieverschillen: ‘Wij zijn de ouderen en zwakkeren, wij trekken ons meer terug. Jongeren daarentegen zien alleen maar mogelijkheden, en zo hoort het ook!’

Tips van Rita:
‘Onmetelijke eenzaamheid’ van Ton Jorna en Willem Voois
‘Meer geluk dan grijsheid; de spiritualiteit van de ouderdom’ van Jean Jacques Suurmond

Interview met Wilma den Uijl

door Haidy Möller

Wilma den Uijl (61) zit in haar tuin in het zonnetje, ik thuis aan mijn eettafel, allebei aan de koffie. We bellen. Wilma vermijdt alle niet noodzakelijke ‘fysieke’ contacten. Zij runt, samen met David Noordhoff, Zielhuis Uitvaart en Roze Uitvaart en vertelt bevlogen over haar werk.

Wilma, waar komt je interesse en passie voor je werk vandaan?
Dat heeft zijn oorsprong in de jaren 80, toen we opeens overvallen werden door het hiv-virus en voornamelijk jonge homomannen in de bloei van hun leven overleden aan aids. Men wist toentertijd ook niet precies hoe de besmetting verliep, er was geen medicatie, aidspatiënten lagen in isolatie in het AMC, er was angst voor besmetting. Eenzaamheid, isolement en stigmatisering staken weer de kop op. Ik moet er de laatste tijd veel aan terugdenken.

Je zag toen, net als nu, artsen, verplegers en onderzoekers in de bres springen. Ook kwamen er nieuwe vormen van solidariteit op gang, vanuit de LHBTI+-beweging, bijvoorbeeld de buddy-projecten. Ik ben zo’n 20 jaar actief geweest in de hiv/aidshulpverlening voor o.a. de Schorerstichting, in Nederland en in Latijns-Amerika.

Hoe is Roze Uitvaart ontstaan?
Tijdens de aidsperiode hadden zowel familie als conservatieve uitvaartbegeleiders moeite om een uitvaart te organiseren die afweek van wat gebruikelijk was. Dat gaf echt lastige situaties. Vrienden werden er bijvoorbeeld niet altijd bij betrokken en de overledene kreeg soms een traditionele, vaak religieuze uitvaart in zijn geboortedorp.

Roze Uitvaart is door Janhenk Zielhuis opgericht om een netwerk van homovriendelijke uitvaartbegeleiders te vormen en om input te geven voor een homovriendelijke uitvaart. Toen ik na zijn overlijden in 2010 zijn bedrijf voortzette, hebben David en ik workshops gegeven in het roze circuit. Er is nu meer ruimte voor niet-standaard uitvaarten en mensen denken er meer over na. We krijgen veel verzoeken voor voorgesprekken over zaken die men alvast wil vastleggen. De coronacrisis versterkt dat nog meer.

Een uitvaart in coronatijd, hoe gaat dat?
Tijdens de uitvaart mogen maximaal 30 mensen aanwezig zijn, er is geen condoleance, geen drank en geen hapjes. Dat is best naar en ongemakkelijk, want je hebt juist behoefte aan onderlinge verbondenheid en écht samen zijn. Op bezoek gaan bij cliënten doe ik wel zoveel mogelijk. Tenzij iemand in een risicogroep zit, dan moet het contact per telefoon of beeldbellen. De oudere generatie heeft daar soms moeite mee. Ik vind het zelf ook lastiger om pas bij de uitvaart de nabestaanden te ontmoeten.

Laat ik zeggen dat we – met alle restricties die er nu zijn – uitgedaagd worden om een nieuwe manier te vinden waarop we uiting kunnen geven aan onze verbondenheid met elkaar. Ik merk dat men flexibel is en begrip heeft. Er worden nieuwe vormen bedacht en naar creatieve oplossingen gezocht. Bijvoorbeeld met een boot door de grachten, muziek die speelt, mensen langs de kade die afscheid nemen en bloemen in de boot werpen. Of via een livestream thuis de herdenking volgen en videoboodschappen laten zien van mensen die niet aanwezig kunnen zijn. Laatst begeleidde ik de uitvaart van een jonge lesbische vrouw. Al haar vrienden hadden afscheidsgroeten op briefjes geschreven en haar kinderen brachten die op rolletjes bij elkaar. Zo werd ze bedolven onder een slinger vol liefdevolle berichtjes.

Wat mis je?
Ook al ben ik best relaxed onder de omstandigheden, ik doe toch allerlei dingen niet, net als de rest van het land: sauna, massage, filmclub, theater, restaurant. En natuurlijk mis ik die ontspanning en vooral de knuffels. Ik merk wel een hoger lichaamsbewustzijn, elk klein kuchje registreer ik.

Hoe ziet je privéleven er nu uit?
Doordat er meer doden zijn, werk ik nog harder dan normaal. De huidige restricties kosten meer tijd en aandacht. Vrienden zie ik weinig, ook door alle maatregelen. Door het werk loop ik enig risico, want ik kom wel in contact met coronapatiënten. Moet er niet aan denken dat ik ziek zou worden, niet omdat ik zelf zo bang ben voor corona, maar omdat het voor mijn werk veel problemen zou opleveren. Ik heb droge handen van het vele ontsmetten.

Ik woon al heel lang heerlijk in het centrum van Amsterdam, in een voormalig kraakpand met fijn balkon. Ook breng ik zoveel mogelijk tijd door in mijn buitenhuisje met tuin, op het ‘roze weiland’ – dat heet zo vanwege een aantal lesbische buren daar. We hebben grote tuinen en kunnen – met afstand – samen eten. Die tuin is echt een (ont)laadklep om tot rust te komen en weer op te laden.

Wat vind je positief?
De lucht is veel schoner! Dat merk je goed. En Amsterdam is echt prettig zonder massa’s toeristen. Verder zie ik veel creatieve nieuwe ideeën ontstaan. We kijken naar manieren om elkaar te ondersteunen. Zo vertelde mijn vaste cateraar me geschrokken dat alle opdrachten werden afgezegd. Nu maakt hij maaltijden voor daklozen en brengt die rond in sporthallen. En voor mijn uitvaarten maakt hij een ‘vaarwel-tasje’ met biologische producten erin, omdat er geen condoleance-momenten meer zijn.

Interview met Jan

Jacqueline Janssen

Latten in Amsterdam en Duitsland

Jan is bijna een leven lang samen met Karl. Op de Floriade in Gaasperdam beleefden zij 40 jaar geleden hun eerste uitje! Bij de eerste de beste gelegenheid – de dag na de Gay Games in 1998 – hebben zij zich als partners laten registreren. Toen het huwelijk werd opengesteld voor homoparen, hebben zij hun registratie omgezet in een huwelijk. En, toen Duitsland de wetgeving aanpaste, zijn zij ook daar meteen een geregistreerd partnerschap aangegaan.

Jan werkte als leraar Frans op een middelbare scholengemeenschap in Alkmaar. Karl had een bedrijf in Duitsland. Zo is het latten tussen Nederland en Duitsland begonnen. Ieder hun eigen huis en toch veel samen zijn, bevalt goed. De ene week in Nederland en de andere in Duitsland, met in beide omgevingen leuke sociale contacten.

Na een lange woongeschiedenis in Amsterdam – studentenflat, woonboot, woningen in de Spaarndammerbuurt en Bos & Lommer – is Jan naar Java-eiland verhuisd.

Van het gebouw Hoogkade op Java-eiland was hij in 1999 één van de eerste bewoners. De laatste jaren is een deel van de eerste bewoners vertrokken en zijn er nieuwe buren voor teruggekomen. Jan mist zijn vroegere buren, vooral een mannenstel. Ze kwamen elke dag bij elkaar over de vloer, dat was heel gezellig.

Elke dag 10.000 stappen

Uit zijn studietijd, meer dan 40 jaar geleden, heeft Jan een kroegmaat overgehouden. Door ziekte en een steeds groter wordend sociaal isolement van die vriend, is Jan de afgelopen jaren steeds meer mantelzorger geworden. Boodschappen doen en zaken regelen, 2 à 3 keer per week. Deze man heeft geen familie en vrienden meer. Zijn ziekte heeft zich verergerd en nu is hij opgenomen in een hospice. ‘Ik kan hem niet in de steek laten. Ik vind het verschrikkelijk als je leven zó moet eindigen. Ik hoop echt dat dat mijzelf bespaard blijft.’

Na intensieve gesprekken met elkaar hebben Jan en Karl allebei een euthanasieverklaring opgesteld en dit met de huisarts besproken; zij willen heel graag waardig sterven.

Jan voelt zich behoorlijk kwetsbaar in de huidige situatie. Als zestiger met een hartkwaal valt hij in de risicogroep. Dat geldt ook voor zijn partner. Zij moeten risico’s vermijden en goed opletten in het sociale verkeer. ‘De lege stad is wonderschoon, maar corona is een onzichtbare en griezelige vijand.’

In Amsterdam heeft hij een mooie deal kunnen maken met een jongere vriend/buurman. De buurman doet voor Jan de boodschappen in de supermarkt en Jan heeft voor hem een werkplek in zijn huis ingericht. Die werkplek wordt parttime gebruikt: als buurman’s vrouw thuis is en voor de kinderen zorgt, komt hij graag bij Jan werken. ‘Dit functioneert geweldig goed en het is nog gezellig ook!’

De huidige situatie – als ouder stel levend in een wereld met een pandemie – kwalificeert Jan als ‘overleven’. Hij zet alles op alles om gezond te leven. Zo loopt hij elke dag 10.000 stappen. Hiervoor heeft hij verschillende leuke routes bedacht, bijvoorbeeld vanuit de Oostelijke Eilanden naar het Marine terrein. Ook fietst hij een paar keer per week naar het hospice op het Valeriusplein.

Natuurlijk zorgt hij ervoor gezond te eten. Zonder Karl is dat lastiger, want Karl kookt altijd en ook zó lekker. In ieder geval drinkt hij niet meer dan twee glazen wijn per dag. En elke middag slaapt hij even om goed uitgerust te zijn.

Voor afleiding en uit liefhebberij leest Jan veel. Natuurlijk in het Frans, maar ook Engels en Duits vormen geen probleem. Jan snakt ernaar om in de nabije toekomst weer met Karl naar de opera te kunnen gaan. Ook liggen er al plannen voor een verblijf in een chique wellness hotel in Duitsland!

Jacqueline Janssen

Interview met Jip van Leeuwen

Jip van LeeuwenWie ben ik?
Jip ( 78) groeit in de 40-er jaren op in een sportief milieu in Amsterdam; zijn moeder is meervoudig Nederlands kampioen discuswerpen, kogelstoten en handbal. Zijn vader is directeur op het abattoir en voetballer bij Voetbalvereniging Zeeburgia. Als kind prutst hij aan poppenkleertjes Op zijn 12 e raakt hij helemaal verslingerd aan sport. Zijn moeder is een sterke topsportster. Hij vereert haar sinds zijn vroege jaren. Zijn eigen zelfbeeld blijft vaag en onbenoemd. Op zijn 24e erkent hij – alleen voor zichzelf – homoseksueel te zijn. Zijn vader laat zich altijd zeer laatdunkend uit over homo’s en Jip heeft zijn homoseksualiteit nooit met hem besproken.
Jip kampt tot zijn 48e met een leven in de kast; hij leert de liefde kennen en heeft twee lange geheime relaties. Hij heeft altijd angst, dat zijn homoseksualiteit uitkomt.

Jip zegt “Eigenlijk geen ijdeltuit te zijn, maar structureel behoefte aan erkenning te hebben. Waarschijnlijk door die lange jaren van mezelf onzichtbaar maken”. Hij heeft slechte tijden gekend en gelukkig veel steun ondervonden van bedrijfsartsen en psychiaters. “Ik heb altijd het gevoel gehad dat ik me moest bewijzen”.

Het is daarom niet verwonderlijk dat Jip verschrikkelijk trots is op zijn onderscheidingen en prijzen; vooral op de Frans Banninck Cocq Penning.

Dertig jaar geleden leert hij Martin (74) zijn grote liefde kennen, waar hij meteen mee samenwoont. Nu alweer een hele tijd op Java-eiland. Ameland is hun favoriete buitenplek; ze komen er elk kwartaal. Zij zijn dol op hun 2 Beagles en verstrooien de as van hun overleden honden in het Bornediep bij Ameland.

Ik ben een topsporter in hart en nieren
Jip blinkt al jong uit in atletiek; zijn sterkste nummers zijn kogelstoten, speerwerpen en hoogspringen. Hij doet mee aan de Nederlandse Kampioenschappen. En met handbal aan de Europa Cup. Hij wil heel graag winnen en zich als man bewijzen. Begin 60-er jaren zit Jip op het CIOS; hij is al een actieve trainer en wordt verder opgeleid als handbaltrainer. In al deze sport- en lesverbanden ervaart de introverte Jip ongemak, wat hij niet helemaal thuis kan brengen. Pas op zijn 23e ontstaat een besef van de schoonheid en aantrekkingskracht van het mannenlichaam.

In de toenmalige sportwereld heerst een sterke macho cultuur; de hetero mannelijkheid staat vooraan. Homoseksualiteit is een absoluut taboe. Als Jip voor alle klasgenoten op het CIOS nummers in hun kleding naait, reageert een klasgenoot met ‘Jezus, je lijkt wel een nicht’ . Jip weet al dat hij ánders is dan de andere jongens. Vanaf dat moment gaat hij geloven dat hij – door in alles de beste te zijn – hierop nooit aangevallen kan worden! Hij komt in die hele periode nooit een andere homoseksuele topsporter tegen. Het is in die tijd een strikte code onder homoseksuele topsporters, om daar op geen enkele manier naar te verwijzen.

Buddywerk heeft mijn leven gered
Begin 90-er jaren – het is het aids tijdsperk – vragen zijn CIOS-leerlingen uit Heerenveen of hij homoseksueel is. Hij bevestigt dat en vertelt hen ‘alles’ over seks tussen mannen, over hoe je aids krijgt en hoe je daar aan dood gaat. De klas is heel geïnteresseerd en Jip stapt naar de rector om het onderwerp een plaats te geven in het leerplan. ‘Nee’ zegt de rector, ‘dat is niet nodig; de leerlingen kijken TV en krijgen immers al staatsinrichting’ “

In diezelfde periode leest hij een oproep van de Schorerstichting, die buddy’s vraagt voor aidspatiënten. Jip beseft hoe geïsoleerd zijn leven is en dat er niemand is, die voor hem zou kunnen zorgen als dat nodig is. Hij besluit om zèlf voor andere homo- mannen te gaan zorgen. Er volgt een intensieve training. Iedereen moet met de billen bloot. Jip wordt deel van een nieuw netwerk van openlijk levende homo’s en lesbo’s. De zorg en begeleiding van aidspatiënten brengen ontroerende ervaringen. “Ik heb veel gegeven maar het heeft mij ook veel gebracht”.
In dit netwerk leert hij Martin kennen.

Geweldig om de GayGames mede mogelijk te maken.
Jip - Canal PrideJip hoort van plannen om de GayGames naar Amsterdam te halen en hij meldt zich aan. Een mooie bijkomstigheid is, dat Jip vanuit de gemeente Amsterdam gedetacheerd kan worden. Het bidbook wordt in 1993 geaccepteerd in Washington en dan is Jip fulltime trekker van alle sportdisciplines. Belangrijke verdienste is de samenwerking met NOC*NSF zodat alle wedstrijden volgens Internationale Regels plaats gaan vinden. Iedereen is overigens welkom als deelnemer bij de spelen.

De GayGames in augustus 1998 is een fantastisch evenement door het mooie weer, de tolerante sfeer en de gastvrijheid. 13.000 deelnemers uit 66 landen! De inzet van talloze vrijwilligers, de schouder aan schouder samenwerking van lesbo en homo groepen en niet in het minst de toonzetting van burgemeester Patijn maken het tot een onvergetelijk festijn. De voormalige leerlingen van het CIOS Heereveen zijn medewerkers bij diverse sporten van de Games. Zij zitten als grootste fan van Jip bij de afsluitende bijeenkomst in het Johan Cruyff stadion.

 

Roze Burgemeester’
In 2003 moet Jip acuut stoppen met werken. De bedrijfsarts zegt ‘hem niet tijdens de rit kwijt te willen raken’ waarop Jip zegt ‘liever op de middenstip van het Olympisch Stadion te sterven, dan achter de geraniums in de Roeterstaat’. Jip gaat hij op vrijwillige basis door. Hij is bestuurslid van de Blankenstein Foundation; door de anti- racisme beweging staat hun werk nu extra in de belangstelling. Zij voeren workshops uit op een aantal CIOS instituten. Ook runt hij samen met anderen een recreatiehoek voor àlle psychiatrische patiënten van de Bascule ( AMC). Jip zorgt er vooral voor dat mensen kunnen praten.

Op Java-eiland fungeert Jip als Roze Burgemeester van de ” buurtsoos”. Dit is een hecht netwerk van oudere buurtbewoners, die met elkaar van maandelijkse bijeenkomsten geniet. www.buurtsoosjavaeilandnl Jip zet zijn bestaande en nieuwe netwerk in; hij heeft met horeca en hotel eigenaren van Java-eiland een warm contact. In deze coronatijd blijkt de Buurtsoos van onschatbare waarde; men onderhoudt actief het contact en draagt zorg voor elkaar.

Over Roze Stadsdorp Amsterdam
Sterk punt van het Roze Stadsdorp Amsterdam vindt Jip dat er geen sprake is van lidmaatschap en verplichtingen. Hij vindt het stadsdorp een geweldig initiatief en is enthousiast aanwezig op de stedelijke borrels. Echter ‘Roze Stadsdorp moet oppassen om niet aan het eigen succes ten onder te gaan’. Het is essentieel dat er tijdig aan beleid voor de komende 5 jaar en opvolging van trekkers van activiteiten gewerkt wordt.

“Jip van Leeuwen. Een leven vol beweging – een bewogen leven” door John Avis.
Uitgave van IHLIA. 2014 Serie Roze Levensboeken

Jacqueline Janssen

Interview Herman Speerstra

Herman SpeerstraHerman Speerstra (55) verwonderde zich er in zijn jeugd al over dat artsen niet communiceerden met patiënten wiens einde naderde. Nu is hij coördinator bij de Nederlandse Vereniging voor een Vrijwillig Levenseinde (NVVE). Ik spreek hem in zijn zonnige tuin, onder het genot van water en wijn. We praten vooral over zijn werk, waar hij heel bevlogen over vertelt.

Hoe woon je?
Ik woon nu twintig jaar in Amsterdam-Noord met mijn man Joost met wie ik al 26 jaar samen ben. Oorspronkelijk kom ik uit Friesland waar het in de jaren tachtig als jonge homo niet makkelijk was. Amsterdam was mijn grote droom. Ook was er veel meer werk voor verpleegkundigen. Ik heb hier in een aantal ziekenhuizen gewerkt, psychiatrische instellingen en in de thuiszorg.

Hoe kwam je bij de NVVE terecht?
Overal zag ik dat artsen beslisten over leven en dood zonder overleg met de patiënt. Er werd alleen met de familie gesproken over hoe en hoe lang behandelen. Aan de patiënt werd nauwelijks verteld dat hij dood zou gaan. In mijn functie kon ik gelukkig wat meer aandacht besteden aan de betrokkene en het nodige uitleggen. Het informeren gebeurt tegenwoordig beter, maar het bespreken van behandelopties nog steeds erg weinig. Toen ik de vacature zag wist ik: dit is het voor mij, de rode draad in mijn werkend leven komt hier uit. Ik doe dit inmiddels 11 jaar en voel me als een vis in het water.

Wat houdt je werk in?
De NVVE bestaat bijna 45 jaar en heeft ongeveer 175.000 leden. Mijn werk bestaat uit het voeren en coördineren van telefonische intakegesprekken, informatie geven of een probleem oplossen. We geven leiding aan 70 vrijwilligers: consulenten die op huisbezoek gaan en/of een spreekuur houden. Bij zo’n huisbezoek heb je meer rust en tijd, kun je iemand een-op-een in de ogen kijken. Het gaat niet altijd om zieke patiënten, soms heeft men vragen over een wilsverklaring, soms gaat het om iemand met een beginnende dementie. Mensen kunnen ook een spreekuur bezoeken op een van onze 50 locaties.

Wat zijn de belangrijkste onderwerpen op dit moment?
De wilsbekwaamheid van dementerenden staat al jaren in de schijnwerpers. Zij zijn op het beslissende moment vaak niet meer in staat om een arts toestemming te geven voor de uitvoering van euthanasie. De vraag ‘hoe kan ik mijn euthanasieverzoek dichttimmeren?’ speelt heel erg. Dus is het zaak om tijdig en zo helder mogelijk in een wilsbeschikking vast te leggen wat de wensen zijn. En dan nog hangt het erg van de arts af of deze bereid is euthanasie te geven. Hij/zij kan gewetensproblemen hebben of wil niet het risico lopen in (juridische) problemen te komen. Vorig jaar is euthanasie uitgevoerd op een wilsonbekwame patiënt, het proces is tot aan de Hoge Raad gegaan en uitvoerig in de media verslagen.

En hoe gaat het met de discussie over ‘voltooid leven’ als motivatie voor euthanasie?
Voltooid leven an sich is geen grond voor euthanasie. Maar in vrijwel alle gevallen is er ook sprake van fysiek lijden. Moeheid, blind- en doofheid, immobiliteit, incontinentie – dat zijn bij elkaar klachten die kunnen duiden op uitzichtloos en ondraaglijk lijden. Als je dat goed omschrijft, is het zeker mogelijk. En kom je er met je eigen huisarts niet uit, kun je je wenden tot het Expertisecentrum Euthanasie.

Kun je je wensen in handen geven van een ander bijvoorbeeld via een levenstestament?
Je kunt beter een volmacht geven aan iemand via een wilsverklaring, want die kun je desgewenst steeds bijstellen. Voor wijziging van een levenstestament moet je een notaris betalen. In een wilsverklaring, die net zo rechtsgeldig is, kun je ook goed aangeven in welke situaties je niet behandeld wenst te worden. Die kun je vervolgens aan je huisarts geven, zodat het in je medisch dossier komt.

Is Nederland hierin uniek?
België heeft een euthanasiewetgeving. Ook een paar staten in de Verenigde Staten hebben wetgeving hierover, die overigens wezenlijk verschilt van de onze. In de rest van de wereld is euthanasie niet mogelijk. Wel worden er internationale, goed bezochte congressen over het onderwerp georganiseerd. In Nederland is de algemene teneur dat je recht hebt op euthanasie. Er zijn wel tegengeluiden, vaak vanuit christelijke hoek. Maar er zijn ook artsen, die zeggen dat door een betere inrichting van de palliatieve zorg euthanasie niet meer nodig is. Dit zou in alle medische opleidingen veel meer aandacht moeten krijgen.

Wat speelt er nu in de coronatijd?
Dat op de IC terechtkomen met corona geen pretje is, dat is wel duidelijk. Veel mensen willen dat niet. Er wordt niet bij verteld hoe je dan doodgaat. Je kunt in je behandelverbod opnemen dat je niet beademd wilt worden. Je kunt thuis verpleegd worden, totdat de keuze is: beademing of palliatieve sedatie. Veel mensen kiezen er dan liever voor waardig te sterven.

Valt er iets te zeggen over homo’s en euthanasie?
Ik weet niet of de LHBTI+ gemeenschap anders tegen euthanasie aankijkt. Wel is het zo dat de NVVE er veel leden bij kreeg toen in de jaren tachtig jonge homomannen doodgingen aan Aids. Het was opeens een andere generatie die zich met de vraag bezighield: hoe wil ik sterven? De uitvaarten veranderden van karakter, van standaard naar meer persoonlijk. Door de seksuele revolutie en de Aidscrisis gaat de homogemeenschap misschien wat bewuster met doodgaan om.

Hoe beïnvloedt het coronavirus je persoonlijk leven?
In het begin hield ik me keurig aan alle regels, thuis werken, afstand houden. Joost werkt nu ook vanuit huis. Dat was even wennen. Een dag hebben we het in dezelfde ruimte geprobeerd, maar dat was geen succes. Ik spreek vaak telefonisch met bijna dove mensen en om dan op luide toon aan te moeten horen: ‘Oh, u wilt doo-ood? Moet u naar de dokter!’… Nu werkt hij boven en ik aan de keukentafel.

Het menselijk contact miste ik enorm. Ik hou ervan met vrienden naar feesten te gaan. De kookclub van zo’n 12-15 mensen is ook stilgelegd. Over twee weken gaan we het weer doen, buiten barbecueën in een park. Toen we laatst een paar vrienden te eten hadden, hebben we goed afstand gehouden met die twee die kwetsbare mensen in hun omgeving hebben. Op dit moment knuffel ik vrienden weer bij de begroeting. Het scheelt natuurlijk dat ik samenwoon. Als je alleen woont…, echt zwaar om je aan die regels te houden. Niet even een hand op je schouder, niks, terwijl me dat essentieel lijkt.

Zit er iets positiefs in deze crisis?
Het thuiswerken is me goed bevallen. Lekker bij iedere pauze even in de tuin zitten, heel relaxed. En het milieu gaat beter zo: minder vliegtuigen, minder auto’s, schonere lucht, schoner water. Maar Amsterdam zó leeg zien, daar werd ik heel verdrietig van. De stad hoort niet zo te zijn, dit was niet mijn Amsterdam.

Hoe zie je de toekomst?
We denken na over een vakantie. De geplande rondreis in Mexico in oktober, gekoppeld aan een wereldcongres over euthanasie, gaat sowieso niet door. Misschien wordt het Italië.

Haidy Möller

Interview met Maurice Berger

door Ineke Kraus

Elkaar gewoon weer eens zien, daar verlang ik naar!

Interview met Maurice Berger, coördinator van de buurtgroep Museumkwartier, Willemsparkbuurt, Apollobuurt en Stadionpleinbuurt

Maurice BergerOp een zonovergoten – de zoveelste – ochtend in mei spreken we af op een bankje in het Vondelpark-rosarium. Maurice met een thermoskan koffie en ik met een beker thee. We delen een stuk zelfgebakken cake en stellen vast dat we het helemaal gehad hebben met die corona.

Het gaat weer beter
Maurice Berger is 68 en leeft in z’n eentje in een prettige woning die hij dankzij een erfenis van zijn moeder helemaal opnieuw ingericht heeft. Zijn gezondheid houdt niet over. Vorig jaar onderging hij een paar oogoperaties en kreeg hij gordelroos: ‘Ik heb me toen een tijd heel slecht gevoeld. Nu gaat het weer beter.’
Vanaf jonge leeftijd heeft Maurice een visuele beperking aan beide ogen. Meerdere hoornvliestransplantaties waren nodig. Dikke pech was het dan ook dat zijn – goede – linkeroog ernstig beschadigd raakte toen hij in 1990 slachtoffer werd van anti-gay geweld.
Maurice krijgt sinds kort ondersteuning van Koninklijke Visio – expertisecentrum voor slechtziende en blinde mensen – waar men hem kan helpen met hulpmiddelen, o.a. op het vlak van ICT.
Hoewel het hem bij tijd en wijle moeite kost doet hij alles zelf. Hulp van de thuiszorg leverde alleen maar ergernis op.

Een Schotse danser
Maurice volgde een professionele dansopleiding en danste bij het Scapino Ballet. Na zijn danscarrière deed hij de opleiding tot academisch docent met o.a. een jaar studie in Londen. Daarna werd hij docent klassiek ballet – zijn specialisatie – aan de Amsterdamse Hogeschool voor de Kunsten.

Tijdens zijn opleiding in Londen leerde Maurice een Schotse danser kennen, met wie hij na enkele jaren een relatie kreeg. Dat liep mis. Ze bleven elkaar wel ontmoeten. ‘Jonathan wilde een weekend komen, maar ik had erg veel werk op dat moment dus ik raadde het hem af. Hij kwam toch en dat weekend barstte de bom.’ Toen hebben ze elkaar lange tijd niet meer gesproken. ‘Pas later,’ zegt Maurice met enige spijt in zijn stem, ‘begreep ik dat hij gekomen was om te kijken of we onze relatie weer op konden pakken.’ Ze hebben nu weer contact en beiden zijn daar heel blij mee.

Maurice BergerMijn hart ligt bij lesgeven
De laatste jaren zet hij zich in voor de kwaliteitsverbetering van het onderwijs voor amateurdansers. Hij is bestuurslid van Dansbelang NBDO (Nederlandse Bond voor Dans Onderwijs) en is binnen deze organisatie tevens coach en opleider. Dat werk ligt nu natuurlijk stil. Hij begeleidt nog wel vijf cursisten, alles online. ‘Ik ben blij dat dat tenminste nog doorgang kan vinden. Bij lesgeven ligt echt mijn hart. Al mijn kennis, vakmanschap en emoties kan ik inzetten om – onder andere – een mooie dynamiek en energie bij de danser tot ontwikkeling te brengen. Dat ik aankomende docenten in zo’n intensieve en korte cursus echt verder kan helpen, daar krijg ik dan weer energie van. Daarom mis ik het actief lesgeven nu ook zo erg.’

Het wordt intiemer
Maurice is coördinator van de buurtgroep Museumkwartier. Hij heeft veelvuldig en goed contact met de andere buurtgroepcoördinatoren. ‘Onze buurtgroep bestaat uit een trouwe kern van zo’n 15 stadsdorpers. De laatste keer aten we met 25 mensen en het was heel geanimeerd en gezellig. Je merkt dat mensen elkaar steeds beter leren kennen, het wordt intiemer. Nu, tijdens corona, hebben we een groepsapp om elkaar te ondersteunen, maar we gebruiken ‘m vooral voor het doorsturen van leuke video’s. Op 1 juni gaan we elkaar in twee groepjes op twee verschillende plekken weer ontmoeten. Daar kijken we allemaal erg naar uit!’

Je moet het niet forceren
Maurice kent zichzelf als iemand die geneigd is alles zelf te willen doen. Hulp vragen is lastig. Hij heeft wel een paar goede vrienden die hem aanmoedigen om dat te doen, maar hij zal niet zo snel iemand van zijn buurtgroep benaderen. Misschien pas als de nood heel hoog is. Terwijl hij het zegt realiseert hij zich dat dat eigenlijk raar is. ‘Maar,’ zegt hij, ‘we hebben allemaal nog steeds ons eigen supportsysteem en het belang van ‘nabuurschap op de lange termijn’ voelen we nog niet genoeg. Toch vind ik het een geruststellende gedachte dat mijn buurtgenoten er zijn en dat ik een beroep op ze kan doen. Het samen borrelen, het samen eten, de vriendschappen die ontstaan – dat is veel waard. Het zijn dingen die je niet moet forceren, die groeien vanzelf door de tijd heen.’

Nadenken over de toekomst
‘Ik krijg er wel genoeg van dat mijn energie nu op zo’n laag pitje staat. In het begin vond ik het heerlijk, zoals bijvoorbeeld de ochtendstilte, maar nu begin ik er last van te krijgen.
Dan denk ik: gaat er nog iets gebeuren vandaag. Ik mis de reuring van de stad!

Wat ik wel heel positief vind is dat je teruggeworpen wordt op je eigen innerlijk en weer tijd hebt over de toekomst na te denken. Ik ben in 2018 met pensioen gegaan en ik vind het interessant te bedenken hoe ik mijn nabije toekomst in wil vullen in het besef dat het mijn laatste levensfase is. Dat vereist wel ordening van je gedachten. Ik ben geneigd door onzekerheid mezelf naar beneden te trekken, maar het besef van eindigheid helpt ook het leven meer met de dag te nemen.’

Elkaar weer zien

‘Ik ben heel blij dat ik me aangesloten heb bij het Roze Stadsdorp. Ik vind het een prettige, sympathieke en aardige organisatie, waar ik me op mijn gemak voel en veel nieuwe mensen heb leren kennen, vooral ook in mijn buurt. Ik verlang er wel naar elkaar gewoon weer eens te zien met een borrel!
En nu ga ik plantjes kopen voor mijn balkon.’

Interview met Wil Hofker

door Jacqueline Janssen

“Genieten op IJburg”

Met haar eerste lesbische relatie kreeg Wil in 1975 een dochter. Na een roerig liefdesleven leeft Wil (76) alweer 26 jaar samen met Marja (74). Zij vormen met hun drie dochters en hun kleinkinderen een samengestelde familie. Als oma’s hebben zij hun transgender kleinkind goed kunnen steunen bij zijn transformatie.

Het moest voor ons beiden kloppen

In 1996 kochten zij hun eerste gezamenlijke huis in de Watergraafsmeer. Na hun pensionering wilden ze verhuizen. Marja wilde meer uitzicht en buiten wonen. Wil, geboren op Ameland, maar sinds haar derde levensjaar wonend in Amsterdam, wilde Amsterdam niet uit. Hun volgende woonplek moest voor beiden kloppen. Dat lukte uiteindelijk in 2016, na drie jaar zoeken. Ze konden een vrije kavel kopen op IJburg, waar ze naar eigen inzicht een huis op lieten bouwen. Het is ruim en licht en heeft aan twee kanten uitzicht op het IJmeer. Bovenop de garage heeft Marja een riante tuin laten aanleggen, die grenst aan de woonkamer met keuken. Die tuin biedt, zeker in deze coronatijd, veel extra’s. Ze wonen nu met veel plezier op IJburg, waar zij onderdeel zijn van een leuk roze netwerk. Door het hoge lesbo- en homogehalte, voelen ze zich extra thuis.

Mantelzorg alleen voor mensen van wie ik houd

Voor de echtgenoot van een goede vriendin van haar moeder was Wil 12 jaar mantelzorger. Deze man, streng gereformeerd, had geen familie of bekenden meer. Vanwege de vroegere band met haar ouders voelde Wil zich verantwoordelijk voor zijn wel en wee. Hij was een lastige, uiterst conservatieve man, die zij voortdurend moest corrigeren in zijn vooroordelen. Natuurlijk ook over homoseksualiteit. Wil regelde dat hij in een verzorgingshuis werd opgenomen. Uiteindelijk werd haar tweewekelijks bezoek wekelijks. Toen hij twee jaar geleden overleed, heeft Wil vanuit de grond van haar hart besloten nooit meer voor mensen te zorgen van wie ze niet houdt!

Iedereen popelt om weer te gaan werken

Wil is 40 jaar bedrijfsmaatschappelijk werker geweest. Zij heeft veel bedrijven van binnen gezien en is allround in haar vakgebied. Begonnen in het Amsterdamse Havenbedrijf, werkte ze bij de Belastingdienst en stapte op haar 56ste over naar de Fortisbank. Daar moest een nieuwe Arbodienst worden opgezet. Op haar 64e ging Wil met pensioen. Daar zag ze behoorlijk tegenop, maar het wende snel.

Als freelancer begeleidt zij nu incidenteel cliënten. Hiervoor wordt zij vanuit haar professionele netwerk gevraagd. Sinds kort biedt zij een helpende hand bij de begeleiding en re-integratie van medewerk(st)ers met corona van een grote zorginstelling. Met 30 cliënten, die positief zijn getest, onderhoudt ze nu telefonisch contact. Het valt Wil op hoeveel hart haar cliënten hebben voor de zorg. Ze staan te popelen om weer aan het werk te gaan!

Langzamer leven in corona tijd

Het leven is veel rustiger geworden. Wil vloog vroeger van de ene afspraak naar de andere om haar grote netwerk met veel warme contacten te onderhouden. Nu is er meer tijd om te genieten van huis, tuin en samenzijn. Via Zoom houdt ze nu contact met verschillende groepjes, waarmee ze regelmatig beeld-belafspraken heeft. Op haar to-do lijst staat meer bewegen en wandelen. Dat voornemen spreken Wil en Marja regelmatig naar elkaar uit. Daar blijft het té vaak bij.

Recent hebben ze met hun drie dochters (één van Wil en twee van Marja) tijdens een etentje hun wensen rondom het levenseinde besproken. Hoewel dat goed voelde, vinden ze het leven nog zo aangenaam en prettig, dat ze beiden hopen dat dát nog ver weg is.

 

Interview met Kari

Haidi Möller

Ik leefde al behoorlijk geïsoleerd, dus veel is er niet veranderd.

Op een zonnige lentedag bezoek ik Kari Winkelman (80) in haar ruime appartement in Amsterdam-Noord. We hebben elkaar een keer eerder ontmoet, bij een etentje van de buurtgroep. We voelden een klik en mede daarom leek zij me ideaal voor dit eerste interview met 50+ LHBTQI’ers in coronatijd.

Ze ontvangt me hartelijk met een heerlijk kopje koffie en daarna mag ik haar het hemd van het lijf vragen. Uiteraard op een keurige 1,5 meter afstand, met de hond ertussen. Kari straalt rust en optimisme uit, maar ze voelt zich vaak melancholiek en ervaart de dagen soms als erg lang.

Kari, wat is je achtergrond?
‘Ik heb na de opleiding Psychologie in Amsterdam mijn hele leven gewerkt als klinisch psycholoog, met name in de bollenstreek, in Bennebroek. In 2002 kon ik stoppen dankzij een mooie pensioenregeling. Ik woonde met mijn partner in Culemborg, tot we zes jaar geleden besloten weer terug naar Amsterdam te gaan. Carla bleek toen al ziek te zijn, dus het leven zag er heel anders uit dan we ons hadden voorgesteld. Drie jaar geleden overleed ze aan kanker.’

Wat is je huidige situatie?
‘Nu woon ik alleen met mijn hond. Kinderen heb ik niet, helaas, want ik had ze graag gewild. Toen ik jong was stond de samenleving nog helemaal niet open voor het lesbisch moederschap. Familie is er vrijwel niet meer. Het is de afgelopen jaren niet makkelijk gebleken om een nieuw sociaal leven op te bouwen. De dagen voelen soms lang.’

Hoe ziet je dagelijks leven er nu uit?
‘Mijn leven is eigenlijk maar een klein beetje veranderd door de coronacrisis. Ik leefde al behoorlijk geïsoleerd, met een aantal belangrijke vrienden op afstand. Dus ik maakte al veel gebruik van telefoon, facetime, appen en zo. Die communicatie werd in het begin van de crisis opeens een stuk drukker. Ik kon het soms nauwelijks bijbenen! Nu is het weer wat rustiger en hebben de meeste berichtjes de boodschap: houd vol.

Mijn weekprogramma is wel stil komen te liggen. Ik deed van alles, klassiek zingen in een koor, schilderen in een groep, taalles geven aan vrouwen. Het koor en de taallessen zijn gestopt en de schilderles doen we nu online. Dat tekenen en schilderen doe ik wel fanatiek.

Mijn dagindeling wordt vooral bepaald door de hond, ik laat hem nu langer en vaker uit, soms op een lange wandeling met een vriendin. Ik zie minder mensen en blijf veel binnenshuis, net als iedereen, en soms ga ik met de auto naar mijn tuintje of dat van vrienden. Ik schilder, lees de krant en boeken, en kijk een beetje naar Netflix. Verder facetime ik een paar keer per dag met mijn ex. Aan boodschappen en eten besteed ik niet veel aandacht.’

Wat mis je, wat is er nu niet mogelijk?
‘Vrienden zien, dat mis ik het meest. Face-to-face contact en een knuffel. Ik wil wel graag eens vastgepakt worden. Mijn vrienden zijn vaak voorzichtiger dan ik. Ik heb zelf iets fatalistisch van: “Nou, dan word ik misschien ziek, en als dat niet goed afloopt: het zij zo.”

Het zingen mis ik ook erg. Ik heb altijd veel muziek gemaakt. Op dit moment is er weinig contact met de mensen van het koor. De vrouwen van de taallessen hoor of zie ik helemaal niet, want digitale communicatie is voor hen, mede vanwege de taalproblematiek, niet haalbaar.

Het is in deze tijd nog moeilijker geworden om gelijkgestemde vrouwen te ontmoeten, die in dezelfde situatie leven als ik. Ze moeten er toch zijn!

Waar ik bang voor ben is dat ik, als het isolement groter wordt, in een angstige gedachtestroom terechtkom, zo van: “Hoe moet dat nou als ik ziek word?” Maar, als ik me echt ziek zou gaan voelen, maak ik dat onmiddellijk kenbaar aan mijn ex en aan mijn schoonzus, die arts was in Amsterdam.’

Zijn er ook positieve kanten?
‘Ik heb nu meer rust en tijd voor reflectie over mijn leven, dat voelt goed. Ik kom nu ook meer toe aan schilderen, waar ik veel plezier aan beleef. En ik heb eindelijk tijd om ‘De Pest’ van Camus te lezen en meer naar mooie muziek te luisteren.

Een paar vriendinnen houden een oogje in het zeil, het is fijn om dat te ervaren. Ook andere mensen, bijvoorbeeld uit de buurtgroep Noord van het Roze Stadsdorp, vragen hoe het met me gaat. Dat is verrassend en positief. De digitale communicatiemiddelen worden volop benut. Misschien ga ik toch ook maar iets op Facebook doen, daar schijnen leuke lesbische groepen actief te zijn.’

Hoe is het over een half jaar?
‘Ik hoop dat ik over een tijdje het gewone leven weer kan hervatten. Maar ook als dat zo is, is het niet voldoende om uit mijn isolement te komen. Ik ben nu met twee wezenlijke dingen bezig. Denken over mogelijke verandering in mijn woonsituatie – misschien wil ik in een groepsvorm gaan wonen -en denken over hoe ik nieuwe vriendschappen met vrouwen in dezelfde leefsituatie kan vinden. Dit is wel een goede periode om de mogelijkheden rustig te onderzoeken, dan kan ik daar later actief mee aan de slag.’

Wil je nog iets kwijt?
‘Het kan zijn dat ik het virus al gehad heb. In januari kwam ik terug uit Italië. Ik kreeg het opeens ijskoud en bleek koorts te hebben. Mijn luchtwegen zaten verschrikkelijk vol. Dat had ik nog nooit meegemaakt. Ik hoestte me een ongeluk en mijn bijholtes en kop barstten zowat uit elkaar. Ben flink ziek geweest, maar een arts is er niet aan te pas gekomen, dus zeker weten doe ik het niet. Ik hoop zo dat ze uitgebreid zullen gaan testen. En dat ze dan, als de zorgsector aan de beurt is geweest, voorrang geven aan de oudere alleenstaanden, zodat die weer zonder vrees anderen kunnen gaan zien.

Verder merk ik dat de hele situatie me soms onwezenlijk voorkomt, alsof het helemaal niet bestaat. In mijn leven verandert er lang niet zoveel als in het leven van veel anderen. De krant en tv wijzen me er dan weer op: het is coronatijd. O ja, denk ik dan.’

Haidy Möller

Interviews over het Roze Stadsdorp Amsterdam in beginjaren

Interview met Ineke Kraus

Door Nanja Bushoff

Wanneer heb jij bedacht om het Roze Stadsdorp Amsterdam (RSA) op te richten?
Een aantal jaar geleden, toen als een van de eerste stadsdorpen het stadsdorp Zuid was op gericht.
Ik vond het idee van een stadsdorp erg leuk. Maar stadsdorpen ontstaan meestal in wijken waar witte goed opgeleide en oudere mensen wonen; 90% van de stadsdorpen zit tussen de Amstel, de Ring en het IJ. De buurt waar ik woonde was sociaal en qua leeftijd erg gemengd en ik had het idee dat een stadsdorp daar niet van de grond zou komen. Toen bedacht ik dat ik ook lid ben van een ander netwerk. En het is bekend dat oudere roze mensen juist vaak eenzamer zijn en geen vanzelfsprekend familienetwerk en mantelzorgnetwerk om zich heen hebben.

Had je een persoonlijke drijfveer of zag je dat breder?
Ik denk dat boven een bepaalde leeftijd je directe netwerk tamelijk stabiel is, d.w.z. je hebt een vaste vrienden- en kennissengroep. Op een gegeven moment, dat zie ik ook om me heen, vallen er alleen maar mensen weg door ziekte en overlijden.
Het leuke van stadsdorpen is dat er nieuwe sociale kringen ontstaan (waar ook enig leeftijdverschil is); dat betekent dat je actiever wordt en weer nieuwe mensen ontmoet, dat maakt je minder eenzaam. En doordat je actiever wordt is de kans om gezond te blijven groter.

Ben je zelf actiever geworden?
Ik was al actief, maar ben toch ook met nieuwe activiteiten begonnen, zoals skaten. Ik ga  vaker naar de film, en wij gingen nooit naar de kroeg en nu vind ik het heel gezellig om naar de borrel van het RSA te gaan. Ik heb allerlei nieuwe mensen ontmoet en ben mensen van vroeger weer  tegen gekomen; dat vind ik erg leuk.

Wat is jouw leukste ervaring tot nu toe?
Dat het RSA zo snel zo groot is geworden. We zijn nog geen jaar bezig en er zijn al tegen de 250 leden.

Wat heb jij het afgelopen jaar zoal gedaan voor het RSA, ik heb het idee dat jij ons een beetje op de kaart hebt gezet?
Ik heb op een aantal plekken iets verteld over het RSA, zoals bij de postcodeborrel in Zuid, bij de ANBO in West, bij de Rietvink. Ik heb ons aangemeld voor digitale ondersteuning van de gemeente (die werd tot nu toe alleen aangeboden aan de gewone stadsdorpen), en voor True Colors op 25 januari, georganiseerd door het COC.
Ik heb ons ook opgegeven voor een conferentie voor de Regenboogsteden bij Movisie. Daar worden alle roze initiatieven bij elkaar gelegd zodat steden weer van elkaar kunnen leren.

Je zegt roze, niet LHBT?
Voor mij zit daar niet echt verschil in.

Hoe zou je het RSA in een zin omschrijven?
Roze nabuurschap voor lhbt-ers in Amsterdam.

Wat bedoel je met nabuurschap?
Wat je vroeger voor de buren deed.

Is jouw idee ook dat het RSA buurtgericht gaat functioneren?
Ik denk wel dat je dat voor elkaar moet krijgen. Dat zie je in de stadsdorpen ook, die hebben soms binnenbuurten van twee of drie straten. Onze  ‘binnenbuurten’ zullen natuurlijk groter zijn.

Wat is op dit moment het grootste aandachtspunt?
Het grootste en meest blijvende aandachtspunt is de gelijke verdeling mannen en vrouwen.

Wat maakt dat zo belangrijk voor jou of voor het geheel?
Omdat de helft van onze doelgroep uit mannen bestaat en als je buurtgericht iets voor elkaar wil beteken hebben de mannen en de vrouwen elkaar nodig.
Ik weet vanuit mijn ervaring dat als je dat niet goed bewaakt en als het ergens te scheef wordt, dat je dan op een gegeven moment een van de twee groepen kwijt raakt en dat zou ik niet willen.

Denk jij dat de deelname van mannen het geheel samen meer maakt?
Ja dat denk ik zeker. Daarnaast vind ik het ontzettend leuk om ook mannen in mijn netwerk te hebben.

Zouden we nog iets kunnen doen aan een betere verdeling?
Het is lastig. Op oproepen en initiatieven in de nieuwsbrief reageren vaak vooral vrouwen.

Wat zou je het komende jaar graag willen doen binnen het RSA?
Ik zou willen kijken hoe we kunnen aansluiten bij de verschillende andere initiatieven die er al in Amsterdam zijn, zoals het COC en de Pinkborrels . Hoe kunnen we zorgen dat het een geheel wordt. Verder hoop ik dat het RSA subsidie krijgt zodat de website beter gaat functioneren. De website is nu nog niet in orde, ondanks de grote inzet, en dat belemmert op dit moment misschien bepaalde initiatieven. Er zou goede ondersteuning voor de webmaster moeten komen, maar omdat we nog geen geld hebben is die er niet.
Ik zou ook graag willen dat de coördinatiecommissie van het RSA zich bezig gaat houden met de langere termijnplanning.

Hoe ziet het RSA er uit over twee, drie jaar?
Als het blijft groeien zoals het nu groeit dan denk ik dat de website verder ontwikkeld is, dat er een vraag en aanbod rubriek is, dat de activiteiten uitgebreider worden. Laatst hadden zich 27 mensen opgegeven om samen naar de film te gaan.
De groei zal misschien in een hink-stap-sprong gaan, maar dat is niet erg.

Om nog meer van Ineke te horen, kun je ook luisteren naar een interview op Radio Signaal op 9 juli 2015 (minuten 12.49:48 – 13.00)

Interview met Marijke Kooi

Door Nanja Bushoff

Hoe ben je bij het Roze Stadsdorp gekomen?
Ik had er van een vriendin over gehoord. En ik liep te denken om weer actief te worden in de roze wereld. Ik was bij de oprichtingsvergadering. Na afloop ben ik met het voorstel gekomen om een keer per maand een borrel te organiseren. Ik ben jaren actief geweest in een vrouwennetwerk in de Weesperzijdebuurt waar ik woon: de Weesperwieven. Wij borrelden één keer in de maand. Maar een netwerk is ook kwetsbaar. Je kunt wel denken dat zijn mijn vriendinnen en die zullen er zijn als het nodig is, maar dat kan zomaar veranderen. Een aantal vrouwen is overleden.

Wat maakte dat je na ging denken over weer actief worden in de roze wereld?
Toen ik daarover na ging denken was ik ongeveer vijf jaar met pensioen. Ik gaf Franse les in het volwassenenonderwijs op het Joke Smit College. Na mijn pensioen heb ik allerlei andere dingen gedaan zoals lesgegeven voor Amnesty, en over kinderrechten en mensenrechten op basisscholen en middelbare scholen. Ik zat in een bestuur voor een schooltje in Afrika. Ik ben na mijn pensioen ook heel creatief geworden, ik wist niet dat ik dat in me had. Ik ben gaan beeldhouwen, keramieken en schilderen met veel plezier. Maar ik had weinig mannen in mijn omgeving en had wel zin in een paar valse nichten om me heen. Vroeger was ik actief in de vrouwen- en lesbische beweging. Vervolgens kwam er een tijd in mijn leven dat ik het druk had, vaste verkering kreeg, een baan, een half kind (co ouderschap).

Wat bedoel je met valse nichten?
Mannen met wie ik lekker bijdehand gezellig scherp kan kletsen en gek doen. Met vrouwen is het vaak zo serieus. Ik heb zeker contacten met wie ik kan lachen, zoals met mijn dochter. Ik hou van omgaan en praten met elkaar waarbij je serieus bent, maar daarnaast, eronder en ertussen, grappen maakt waardoor je meer contact krijgt met elkaar.

Is het gelukt om valse nichten te ontmoeten?
Jazeker en ik heb veel nieuwe mensen ontmoet en ben allerlei mensen van vroeger weer tegen gekomen.

Je bent heel actief in de commissies van het Roze Stadsdorp?
Ja, dat past bij mij. Ik zit in de borrelcommissie, commissie nabuurschap, de PR commissie en in de danscommissie. Ik vind het leuk om mee te doen aan het opzetten van netwerken en ik vind het belangrijk dat het RSA vorm krijgt.

Hoe ziet je oude dag er uit?
Nou ja, tja, eh, je weet niet hoe het zal zijn. Ik woon nu de helft van de tijd in een huis in Bergen bij mijn dochter en haar gezin op het erf. Word ik oud bij mijn dochter of in mijn huis in Amsterdam? Ik denk het laatste.

Maak je je zorgen over de toekomst?
Niet over een sociaal isolement. Maar ik heb wel compassie met mensen die in een isolement leven. En als ik energie heb zou ik daar best iets voor willen doen. Lesbo’s en homo’s hebben vaak geen kinderen en hoe moet dat dan als je zorgbehoevend wordt met al die maatregelen die nu getroffen zijn, de zich terugtrekkende overheid en de participatiemaatschappij…  Ik zou een vuist willen maken: wat is hier aan de hand, hoe kan het dat ouderen zo in de steek worden gelaten. In het interview met Tom vraag jij aan hem hoe het RSA er over twee of drie jaar uit ziet. Hij zegt dan dat hij hoopt dat er dan ook een aantal kleinere eenheden zijn, binnendorpen. Ik kwam laatst op de borrel van het RSA twee mannen tegen die hier in de buurt blijken te wonen. Toen kreeg ik het idee om in de buurt te kijken of we een buurtgericht Roze Stadsdorp netwerk zouden kunnen opzetten. Op de eerste bijeenkomst waren 10 buurtgenoten. Het idee dat ik mensen in de buurt ken en af en toe zie, waar ik eventueel een beroep op zou kunnen doen, dat vind ik heel fijn.

Ging jouw oproep aan roze buurtgenoten over nabuurschap?
Ja, maar ook over gezelligheid, om eens bij elkaar langs te gaan en een praatje te maken. Ik ken het gevoel dat het veilig is om in je eigen buurt contacten te hebben. Het woonblokje waar ik woon is nu ook bezig met een contactoverleg, het is iets wat leeft in de stad.

Zou je ook mee doen aan niet roze nabuurschap?
Ik denk dat ik net zo goed aan niet roze nabuurschap zou deelnemen, zoals aan de Weesperwieven.

Hoe gaat het met het Roze Stadsdorp?
Het gaat goed met het Roze Stadsdorp vind ik. Het aantal leden en activiteiten neemt toe. Het gaat langzaam, dat hoort er denk ik ook bij, maar de Facebook pagina heeft inmiddels meer dan 400 leden. Wat ik bijzonder vind aan het RSA is dat er mensen van vijftig en tachtig bij zitten. En mensen die al heel lang coming out en actief zijn, maar ook mensen die nog niet eerder uit de kast zijn gekomen.

Wat is je leukste ervaring binnen het Roze Stadsdorp Amsterdam?
Met de twee mannen van de borrelcommissie door de stad slierten om borrellocaties te zoeken, dat vind ik enig, al moet ik wel hard fietsen om ze bij te houden.

Wat gebeurt er in de commissies waar je in zit?
De commissies beginnen vorm te krijgen. Ineke doet altijd heel erg haar best om er ook mannen bij te betrekken.
In de PR zijn we bezig met de Europride, we willen gaan flyeren in verzorgingstehuizen en we gaan op de markt in het Vondelpark staan op Roze zaterdag, 23 juli. We gaan ook kijken of we wat kunnen doen op de Greypride tijdens de Europride. De Roze Stadsdorpborrel wordt maandelijks in het Parool aangekondigd
Samen met Tom, Niels en Joske vorm ik de borrelcommissie. De commissie heeft nu voor drie keer Café Carels uitgekozen voor de maandelijkse borrels. Het werkt goed die wisselende locaties. Je trekt dan ook mensen die in een bepaalde buurt wonen. Mensen die het leuk vinden komen wel op elke locatie. De borrels worden erg goed bezocht, gemiddeld komen er 60 tot 70 mensen. De borrel is een van de peilers van het RSA. Je kunt, zonder dat je meteen in een groepje moet, snuffelen aan het Roze Stadsdorp. Natuurlijk zijn er mensen die niet van borrels houden. Maar zoals Ineke zei: ik hou niet van borrels maar die van het Roze stadsdorp vind ik leuk. De borrels maken het RSA ook zichtbaar. We dachten eerst dat er een stuk of acht mensen zouden komen, maar de eerste keer waren er al 40. Wat ik doe bij de borrels, en dat doe ik niet alleen, is gastvrouw zijn en goed kijken of er mensen nieuw zijn. Dat vind ik soms voor mezelf wat jammer omdat ik dan bijvoorbeeld geen tijd heb om met bekenden te praten, of gewoon even slap op de bank te hangen, maar het past me wel die rol van gastvrouw, en ik weet hoe belangrijk het is dat als je ergens nieuw komt je ook welkom wordt geheten.

De borrelcommissie wil in juli een presentatie geven tijdens de borrel wat er tijdens de Gaypride allemaal te doen is.

Het nabuurschap moet binnen het RSA nog vorm krijgen. De vraag en aanbodsite staat nog in de kinderschoenen. Op dit moment matcht de webmaster vraag en aanbod, het waarborgen van de privacy is belangrijk. Als je een vraag of een aanbod hebt moet je een webformulier invullen. Er is nog weinig vraag en aanbod. In andere stadsdorpen blijkt dat er veel meer aanbod is dan vraag. Er is wel vraag, maar mensen vinden het vaak moeilijk om iets te vragen.

Vind je het zelf moeilijk om hulp te vragen?
Wisselend. Aan onbekenden vraag ik niet makkelijk. En ook denk ik wel als ik een plank moet ophangen: wat een gezeur, dat kan ik toch zelf. Maar dat kan ik helemaal niet zelf. Als ik naar de dokter moet of mijn been gebroken heb dan vraag ik wel hulp. Dat komt omdat ik al 40 jaar reuma heb.

Heb je veel hulp moeten vragen?
Ja, Ik heb heel lang een vaste damespartner gehad die mij er heel erg goed doorheen geloodst heeft. Maar toen de relatie verbroken was heb ik aan anderen hulp moeten vragen.

Gaat het in het Roze Stadsdorp vooral over nabuurschap?
Wat mij betreft gaat het ook over vriendschap en gezelligheid, maar het idee van het Roze Stadsdorp is dat je elkaar in geval van nood weet te vinden. En je vindt iemand makkelijker als je die al kent. Ik hoop dat de vraag en aanbod rubriek goed gaat lopen. Daarom organiseren we in augustus ook weer een themabijeenkomst over nabuurschap.

Hoe ziet het Roze Stadsdorp er over twee jaar uit?
Ik hoop dat er door kleinere initiatieven, zoals die van mij om een roze buurtgroep op te richten, meer nabuurschap zal ontstaan.
Ik wil graag dat het RSA als een overkoepelend netwerk van de hele stad blijft bestaan. Ook om een statement te maken naar de overheid. Het lijkt misschien wel of in dit liberale Nederland de roze wereld vanzelfsprekend is en precies hetzelfde is als de buren, maar we zijn natuurlijk zo kwetsbaar als wat. Daar wil ik graag tot het einde van mijn leven mee bezig zijn: kop omhoog en we gaan ervoor.

Interview met ons 500ste lid

Onlangs meldde Riet Knijn zich aan als 500ste lid van het Roze Stadsdorp. Riet is 73 en woont in Nieuw Sloten. Ze heeft altijd in de verpleging gewerkt en was actief in de roze gemeenschap (o.a. voor en tijdens de gay games en in een roze praatgroep) en in haar eigen buurt, waar ze een groep bij elkaar bracht van vrouwen uit tien verschillende landen. Dit is jarenlang een hechte groep geweest.
De laatste jaren had Riet door allerlei operaties en revalidatie i.v.m. artrose weinig sociaal contact en ze merkt, nu ze weer wat hersteld is, dat haar netwerk van jaren her begint uit te dunnen. Ze wil er meer uit maar dan wel graag met ‘soortgenoten’.
Ze had ons in de roze agenda gevonden en omdat ze ‘van een dorp komt’ sprak een stadsdorp haar wel aan.
Door de artrose is Riet niet meer zo mobiel. Ze kan niet meer fietsen en heeft een scootmobiel, waardoor haar actieradius beperkt is. Ze hoopt vooral in haar buurt, via de roze buurtgroep, meer roze contacten te maken.

Interview met Tom Bijlmer

Door Nanja Bushoff

Hoe ben je bij het Roze stadsdorp Amsterdam (RSA) gekomen?
Ik ken Ineke en ik heb ooit gereageerd op een oproep, waardoor ik in het adressenbestand ben gekomen. Ik was bij de tweede plenaire bijeenkomst en toen Marijke met het leuke idee kwam om te gaan borrelen heb ik me daar bij aan aangesloten.

Ben je actief binnen het RSA?
Bij de borrelcommissie doe ik de uitnodigingen en de Facebook pagina.

Hoe belangrijk is Facebook voor het RSA?
Heel belangrijk. Facebook is een makkelijke manier om een groep mensen te benaderen, mensen kunnen elkaar ook tippen; voor de borrel werkt het als een soort zwaan kleef aan gebeuren. We begonnen met 70 mensen en nu zijn het al 250 die elke keer de uitnodiging krijgen van de borrel, dus buiten het circuit van de nieuwsbrief. Mensen kunnen via Facebook ook iemand uitnodigen. Of op het moment dat ik aangeef op Facebook dat ik naar de borrel ga, en ik zit in de berichtenstroom van iemand anders, dan kan dat een uitnodiging zijn voor iemand om ook te komen.

Voelt Facebook voor jou veilig?
Ik gebruik het vooral voor borrels en voor LHBT-activiteiten. Voor mensen die zich zouden willen aanmelden voor Facebook is het handig om de privacy-regels goed te lezen. Je kunt een heleboel dingen, zoals een berichtenstroom of een chat-functie aan en uitzetten. Je kunt ook groepen maken en publicaties alleen voor bepaalde groepen toegankelijk maken.

Is de Facebook pagina van het RSA voor iedereen te lezen?
Er is een openbare pagina en een voor evenementen. De evenementen pagina is gesloten dus daar kunnen mensen die lid zijn van het Stadsdorp berichten plaatsen en die kunnen ook alleen door leden gelezen worden. Je kunt wel aan de buitenkant zien wie er lid is. Dat zijn de regels van Facebook. Je zou hem helemaal geheim kunnen maken, maar dan verdwijnt je zichtbaarheid. Als mensen zich nog niet prettig voelen met hun coming-out adviseer ik ze om niet op Facebook te gaan.

Is er verschil tussen Roze en LHBTQI?
LHBTQI is meer dan Roze. Roze is voor mij: lesbo’s en homo’s. Transgenders kunnen natuurlijk ook heteroseksueel zijn. Een transitie hoeft ook niet je seksuele voorkeur te veranderen. Solidariteit met genderdiverse mensen is er natuurlijk wel. Ik vind dat we niemand moeten uitsluiten, ook hetero’s niet. Je moet natuurlijk roze-vriendelijk zijn om je bij het RSA aan te sluiten.

Hoe zou jij het RSA in een zin omschrijven?
Moeilijk. Het is een plaats die het mogelijk maakt dat mensen elkaar ontmoeten. Ik vind het leuk om die gelegenheid te bieden en bij de organisatie betrokken te zijn.

Is het voor jou belangrijk als ontmoetingsplaats?
Daar heb ik over na zitten denken. Ik heb hier in de flat 5 of 6 homoseksuele mensen wonen maar dat zijn niet de mensen aan wie ik het eerst zou vragen om een pakje suiker te halen. Ik heb twee buurvrouwen die daar op een natuurlijke manier voor in aanmerking komen omdat het directe buren zijn. Met homoseksuele buren in het gebouw heb ik minder contact. Toen de borrel van het RSA hier dichtbij in de Oude Schaeper was heb ik ze wel uit genodigd en er zijn er ook een paar gekomen.

Denk je dat we binnen het RSA meer buurtgericht moeten worden?
Ik denk dat het belangrijk is dat je meer buurtgericht gaat worden omdat op een gegeven moment je actieradius kleiner wordt. Je merkt het aan de borrels.
Er kwamen gedeeltelijk andere mensen naar de borrels in de Oude Schaeper dan naar het Volkshotel. Ik kan me best voorstellen dat er op een gegeven moment zes of zeven Stadsdorpsborrels zijn. Ik denk dat de behoefte aan Roze Stadsdorspborrels voor onze doelgroep groter is dan aan de Pink Borrels (borrels in een bepaald postcodegebied) omdat die laatste voor alle leeftijden zijn. Mensen die nog carrière-gericht zijn gaan naar een borrel als ze eens tijd hebben.

Ben jij nog met je carrière bezig?
Helemaal niet. Ik ben alleen maar met reizen bezig. Bali, New York, Londen, Ibiza, Barcelona, Milaan.

Wat is het leukste dat je tot nu toe zelf hebt ervaren bij het RSA?
Het leukste is dat ik met Marijke een aantal dingen heb gedaan. We zijn op kroegentocht geweest en daardoor zijn we ook andere dingen gaan doen. Dat is een heel nieuw contact. Ik vind het leuk om de borrels te organiseren. Ik zou wel naar de film willen maar dat komt altijd net niet uit. Naar de film gaan heeft een lagere drempel dan naar een borrel gaan want je hoeft niets met elkaar, je hoeft niet te praten. Ik denk dat zeker de filmgroep op Facebook zou moeten gaan zitten. Het zou ook leuk zijn om samen naar het Roze Filmfestival te gaan. Dat moet je van te voren organiseren, want nu is een deel van de voorstellingen al uit verkocht. Ik wil volgend jaar onze borrel ook op een locatie van het festival organiseren.

Heb jij een aandachtspunt voor het RSA?
Facebook meer inzetten; voor elke activiteitenclub een eigen pagina maken, zodat iedereen die geïnteresseerd is gerichte informatie krijgt. Niet iedereen van onze leeftijd zit op Facebook of heeft een smartphone, maar met Facebook wordt je bereik enorm veel groter. Op elke pagina zou je linken kunnen zetten naar andere activiteitengroepen om elkaar op de hoogte te brengen.

Wat is het verschil met een website?
Een website is niet proactief. Daar moet je naar toe gaan. Ik ga alleen naar een website als ik iets nodig heb. Facebook komt naar jou met informatie. Een website activeert niet om naar specifieke activiteiten te gaan.

Hoe ziet het RSA er over twee jaar uit?
Ik denk dat er dan vier tot zes roze stadsgebieden zullen zijn waarbij je niet te ver bij elkaar vandaan moet wonen. Ik ga twee tot drie keer in de week naar mijn moeder in Buitenveldert en dat is zeker twintig minuten fietsen; dat zou ik niet voor iedereen doen. Een paar boodschappen halen voor iemand in de buurt bij de supermarkt om de hoek dat zou ik wel doen. Als je naar een zorgfunctie toe wil dan moet iemand bijna binnen 500 meter afstand wonen. Een vriend van mij zit nu in het revalidatiecentrum de Overtoom, niet ver weg, en ik dacht ik zou wel even langs kunnen gaan, maar dat ligt niet op mijn natuurlijke route, dus ik ben nu twee dagen thuis en nog niet geweest, dat moet ik echt inplannen. Het is makkelijker als je onderweg in je buurt mensen kunt ondersteunen. Je kunt sowieso niet vijf mensen tegelijk ondersteunen. En de hulp kan natuurlijk nooit een vervanging worden van mantelzorg, het moet geen mantelzorg worden.

Wat is het verschil voor jou tussen mantelzorg en boodschappen doen?
Mantelzorg vind ik een verantwoordelijke verplichting terwijl even boodschappen doen meer te maken heeft met: ik ga toch boodschappen doen en ik kom een kopje koffie drinken. Zorgen is iets anders dan hulp. Het RSA kan nooit de zorg vervangen. Ik denk dat het meer emotioneel zorgen voor elkaar is binnen het RSA, verder moet je gebruik maken van de zorgmogelijkheden die er al zijn. Een vriend van mij is vijf jaar geleden overleden aan kanker. Daar zat een hele zorggroep omheen, maar ik wilde niet de verplichting aangaan om daar in te participeren, zo’n relatie hadden we niet, dus ik ging met hem koffiedrinken.
Je moet echt iets opbouwen om eventueel te willen zorgen en daarom moet je nu contacten opbouwen voor over acht tot vijftien jaar.
Misschien moet je met zijn allen wel een gezamenlijke vakantiebestemming bepalen waar je elkaar in een andere setting kunt ontmoeten en op een andere manier kunt leren kennen.

Heb je een suggestie?
Ik zou zeggen Bali. Iemand anders zou misschien Thailand zeggen. Wij komen regelmatig op Bali en huren altijd hetzelfde huis. In dat huis is een groot aantal terugkerende mensen. En we hebben een goede band opgebouwd met mensen die daar permanent wonen, expats én lokale bewoners. Je komt in een vertrouwde omgeving en kan mensen adviseren die in dezelfde streken reizen.

Is dat niet een beetje elitair, Bali, Thailand?
Het kan ook Vlieland zijn, maar vergis je niet, Bali is niet elitair, je kunt er heel goedkoop naar toe, buiten het seizoen kost een retourticket €350 en eten en drinken kun je er voor een tientje per dag, wij koken daar nooit zelf.
Het Roze Stadsdorp is per definitie enigszins elitair als je het over kosten hebt. Als je uit gaat, naar een borrel of een film, dan ben je gauw een tientje of meer kwijt en er zijn mensen in onze doelgroep voor wie dat een hoop geld is. Ik vind het wel belangrijk om te kijken of we ook gratis activiteiten kunnen organiseren of bezoeken.
Het is ook best lastig om mensen te ondersteunen die in een wat mindere positie zitten want die willen dat vaak niet vanuit een soort schaamtegevoel en blijven dan weg.

Verhouding mannen vrouwen?
Je moet als RSA wel mannen blijven aantrekken. Daarnaast moeten de mannelijke leden andere mannen benaderen om lid te worden. Er zijn ook mannen die niet geïnteresseerd zijn in een netwerk met vrouwen. Voor vrouwen is er minder, dus daarom zal het RSA misschien makkelijker vrouwen aantrekken; hoewel de mannenclubs ook afbrokkelen.

Wil je nog iets kwijt dat ik niet gevraagd heb?
Ik vind het jammer dat RSA niet in de agenda staat van de Lesbo-code.
De PR moet veel breder getrokken worden en we zouden veel meer gebruik moeten maken van onze kanalen. Het zou ook duidelijk moeten worden welke expertises leden hebben zodat je die kunt inzetten. Ik wil zelf ook wel mensen actief aanspreken als ik denk dat ze iets in huis hebben voor het RSA. Het zijn vaak dezelfde mensen die iets doen.
Het RSA moet ook een financiële stroom krijgen. Ik ben niet voor lidmaatschapsgeld maar er mag zeker een vrijwillige bijdrage gevraagd worden.
Je moet geen dure zalen gaan huren, maar gebruik maken van gratis faciliteiten.
Wat betreft de vraag en aanbod site die er gaat komen vind ik dat er soms best iets betaald mag worden voor diensten, geen commerciële prijzen, maar een tientje om haar te knippen, of voor een concertje, waarom niet. Het moet voor beide partijen aantrekkelijk zijn. Wij eten vaak met vijf mensen samen. De vijfde persoon kookt niet, maar neemt de anderen eens in de zoveel tijd mee uit eten.

Ik vind het RSA nog steeds een prettige organisatie. Ik hoop dat het verder wortel schiet.

Interview met Niels Wolff

niels-2016Hoe is jouw betrokkenheid bij het Roze Stadsdorp ontstaan?
Die is ontstaan omdat ik zelf ouder word. Het is grappig, vroeger las ik als jongen de woorden oud-roze en roze-rimpel of zoiets in krantjes van het COC, en dat vond ik zo vreselijk dat ik altijd dacht: daar wil ik nooit bij horen.
Totdat ik via Ineke (Ineke Kraus oprichtster RSA) die ik via tennis ken, over het Roze stadsdorp hoorde; dat klonk veel sympathieker.
Ik ben deze zomer 65 geworden en krijg mijn AOW en pensioen pas over negen maanden. Ik dacht het is toch wel eens goed om aan te schuiven bij mensen die daar ook mee te maken hebben, die in hetzelfde proces en dezelfde levensfase zitten.
Ik werk op dit moment nog gedeeltelijk. Ik ben wel geschrokken toen ik me realiseerde dat het opeens al zover was.
Bij alles dat je nu moet regelen heb ik het gevoel dat je heel goed moet opletten of je als het ware wel het juiste kaartje koopt voor de juiste coupé in de juiste trein, want als je het niet goed regelt en de trein gaat rijden en jij zit er niet goed in dan ben je wel de pineut. Ik vind deze levensfase net een reis naar de laatste bestemming. Je gaat wel door mooie landschappen, maar je moet zorgen dat je de reis goed geregeld hebt.
Het leuke vind ik dat er bij het RSA mensen van vijftig tot tachtig komen. Aan de andere kant vind ik dat ook best confronterend.
Het is een kwestie van je mindset veranderen om te beseffen dat je daar gewoon bij hoort. Soms wil ik trouwens even nergens bij horen, ook niet bij alle roze mensen. We maken deel uit van het geheel en het onderscheid tussen roze en niet roze voel ik niet zo.

Jij zit in de borrelcommissie van het RSA?
Ja, ik werd gevraagd door Marijke. Ik dacht als ik zoiets doe dan blijf ik meer betrokken en raak ik makkelijker in gesprek met iedereen, dat spreekt me aan.
Zo ben ik ook voorzitter van onze tennisclub geworden (Smashing Pink).
Wat ik niet wil is in zo’n roze woonproject wonen bij bijvoorbeeld de Hallen. Hartstikke leuk en goed voor de mensen die dat willen, maar ik wil ‘breed’ blijven wonen, tussen hetero’s en homo’s, jong en oud. Als je alleen met ouderen woont is straks iedereen misschien heel oud en wie zorgt er dan voor wie? Het Roze Stadsdorp moet wat mij betreft open staan voor iedereen die zich ‘senior’ voelt, daar hoeft van mij geen leeftijd aan te hangen.

Hoe gaat het met de borrels?
Heel goed. Ik vind het leuk om mede gastheer te zijn bij de borrel, mensen te verwelkomen en op mensen af te stappen waar ik anders niet op afgestapt zou zijn. Zo sprak ik bijvoorbeeld met iemand die vroeger in het Europees parlement heeft gezeten en ze vertelde wat ze allemaal gedaan heeft, dat vond ik heel bijzonder! Op een andere manier waren we elkaar nooit tegen gekomen. Ik denk dat we aan kracht gewonnen hebben door mensen persoonlijk te benaderen, dat leidt tot contact. Marijke (een van de andere leden borrelcommissie) is daar heel goed in. Misschien kunnen we, nu de borrels goed lopen, het verwelkomen van gasten iets meer loslaten. Wat ik bij de borrel van het RSA ook leuk vind is de prettige verhouding man /vrouw.  Wel opvallend is dat mannen en vouwen vaak apart gaan zitten. Op de tennisbaan zie ik dat overigens ook.

Waar zijn de komende borrels?
Volgende keer nog in de Oude Schaeper. Sommigen zijn erg enthousiast over het Volkshotel. Anderen willen KNSM eiland wel eens proberen, is best ver, net als IJburg. Misschien moet het toch een vaste locatie worden als er nog meer mensen komen. In de zomermaanden moet het in ieder geval ergens zijn met een groot terras.

Is het lastig om nog gedeeltelijk te werken tussen veel gepensioneerden?
Het valt mee omdat ik aan het afbouwen ben. Ik wil wel (betaalde) klussen blijven doen, maar daarnaast ook meer vrijwilligerswerk zoals bijvoorbeeld vluchtelinggezinnen helpen hier verder te komen. Iets zinvols dat ook betekenis geeft aan mijn eigen verdere leven nu, en een bijdrage is aan onze samenleving.

Dat hoeft niet voor roze mensen te zijn?
Voor mijn buren doe ik ook boodschappen als het nodig is. Belangrijker is voor mij dat er een klik is en je gewoon op elkaar kunt rekenen als dat nodig is.
Ik vind de bijeenkomsten van het RSA leuk, maar ik pleit voor zo veel mogelijk openheid naar de buitenwereld. Dat is de context waarin ik leef. Ik heb zelf nooit strijd of tegenstand gehad om te mogen zijn wie ik ben en ik merk dat mensen die dat wel gehad hebben, anders in dit proces zitten. Ze voelen zich misschien veiliger en meer geaccepteerd in een roze groep.

Jij bent heel actief. Hoe hou je dat vol. Hoe doe je dat. Kost je dat moeite of gaat dat vanzelf.
|Nee, fysiek ben ik gelukkig nog sterk, en ik heb altijd veel gedaan, en ook vaak naast elkaar gedaan. Ik heb in de seventies theaterschool gedaan en in dat vak moet je best hard werken. Als wij een productie gingen maken dan waren we een week of zes op een zolder en dan ben je op de meest gekke tijden aan het werk met daarna de spanning van op de bühne staan. Dat heeft me ook discipline gegeven om als ik moe ben er toch weer door heen te gaan. Dat is natuurlijk in meer beroepen zo, maar ik heb een enorme drive gekregen van dat expressieve gedoe.

Dus het vliegt je niet aan dat je zo nu en dan zo druk bent.
Nee, maar ik heb ook rustmomenten en zit heel vaak alleen thuis te werken. Bovendien tennis ik veel. Ik heb ‘s avonds veel minder afspraken dan vroeger. Naarmate ik ouder wordt ben ik meer een einzelgänger geworden.

Zie je je nog samen met iemand?
Ja, dat zou ik nog wel leuk vinden. Ik denk niet zozeer aan samen wonen, maar aan samen leven, een latrelatie, andere intimiteit, dat mis ik soms wel in mijn eentje.
Mijn motto nu ik ouder ben geworden: je hebt niet iemand, zoals ik dat vroeger dacht, maar je bent met iemand. Ik wil ook bij het ouder worden graag feedback. Je ziet sommige mensen erg kritisch oud worden, zonder dat ze daarin gecorrigeerd worden.
Ik zoek wel iemand die me aan vult, en andersom.

Voor mij is seks minder belangrijk geworden, hoe is dat bij jou?
Het is grappig dat je dat zegt. Ik heb het binnen onze (RSA)club maar met weinig mensen over seks en seksualiteit gehad. Het is misschien een mooi onderwerp voor een themabijeenkomst. Is natuurlijk ook eng, maar ik zou er toch wel eens over willen praten. Hoe beleven anderen dat, is het minder geworden en compenseer je dat dan met extra (andere) intimiteit. Ik vind het beleven van seksualiteit anders nu ik ouder word. Tja, ook je lichaam is niet meer wat het was toch?

Even een sprong. Hoe vind je dat het Roze Stadsdorp nu loopt?
Voor zover ik het zie denk ik dat goed loopt. De mensen zijn enthousiast om elkaar te ontmoeten  En als je elkaar beter leert kennen en vaker gaat ontmoeten dan zal het zich meer verdiepen. Ik dacht eerst bij de buurtborrel, die Ineke in onze buurt heeft georganiseerd: wil ik dat. Ik vind een borrel (van het RSA) in de maand genoeg. Nog steeds. Maar ik kreeg net de uitnodiging of ik vanuit mijn vak  als trainer, mee wil denken over hoe we de volgende keer zullen inrichten. Dan gaan bij mij de lampen aan, wat wil ze. Ik wil daar geen rondjes gaan doen zoals in mijn werk. Ik zou het juist informeel willen houden. Dus ik ga nog een keer en wil ook wel helpen voorbereiden, maar ik wil niet elke keer gaan of moeten komen. Het is open en vrij voor wie wil. Misschien als er eens een bepaald thema is dat ik zal gaan.

Het zou natuurlijk kunnen dat de centrale borrel op een gegeven moment niet meer bestaat en dat er alleen nog buurtborrels zijn.
Ik opteer echt voor de centrale borrel, die vind ik leuk met zeer gevarieerd publiek. Dat spreekt me aan. Die buurt/postcodeborrel is kleiner en ik ben een beetje huiverig, mede door het oude vormingswerk waarin ik voeger zat, dat je dan met elkaar van alles moet.

Denk je dat we meer moeten gaan samenwerken met roze organisaties?
Nou, misschien niet alleen met roze, maar juist ook met andere organisaties. Zodat anderen er ook aan gewend raken dat roze er is. Ik vind het niet goed is als we ons teveel afzonderen. Ik zou het heel leuk vinden als we eens een borrel organiseren in een wat grotere ruimte waar iedereen een vriend of vriendin kan meenemen die voor hem/haar belangrijk is en die ook wil laten kennismaken met RSA.

Wat is voor jou nabuurschap?
Nabuurschap is voor mij naar elkaar omkijken. Maar ik heb mijn eigen vriendenkring en die kan zeker ook uitgebreid worden maar dat komt dan vanzelf.

Ben jij nu betrokken bij nabuurschap? Heb jij mensen voor wie je wat doet?
Eind vorig jaar zijn mijn beide broers kort na elkaar overleden. De impact die dat heeft op mijn leven is groter dan ik had vermoed. Ik ging vaak naar Apeldoorn, waar mijn ene broer woonde, mee naar het ziekenhuis, mee naar de gesprekken met artsen en praatte met zijn kinderen. Hij was gescheiden dus ook alleen. Dat heeft drie jaar geduurd. Dat is geen nabuurschap, maar wel zorg. Ik heb gezien wat een ziek iemand nodig heeft. Ik had een hele goede band met mijn broer, en ik denk dat de klik tussen mensen het belangrijkste is om er voor elkaar te kunnen zijn. Niet de fysieke afstand, hoewel dat voor sommige mensen wel lastiger is, dat begrijp ik goed.

Hoe ziet het RSA er over twee jaar uit?
Het zal zich meer settelen. Misschien slankt het wat af. Er zullen mensen zijn komen shoppen, die hebben nu een of twee contacten en die vinden dat wel genoeg en die haken weer af. Er zullen nieuwe mensen bijkomen. Het belangrijkste vind ik dat we ons elan behouden en niet vastroesten. En ik zou het leuk vinden als we er zo nu en dan andere mensen bij vragen die niet Roze zijn.
Wat ik ook leuk vind binnen het Roze Stadsdorp zijn de diverse activiteiten, er is voor iedereen wel wat te doen.

Dus je bent niet bang dat het RSA als een kaars uit dooft?
Nee, ik denk dat de kaars blijft branden; ik vind het leuk zoals het nu gaat.

Zou je in het bestuur willen van het RSA. We gaan een vereniging worden.
Even nog niet. Ik zit nog een jaar in het bestuur van Smashing Pink. Misschien dat ik het daarna leuk vind om ook hier verder mee te denken. Nou ja, als het nu nodig is, stap ik er in.

Heb je nog ideeën voor het RSA?
Een kledingruilbeurs lijkt me leuk, en ter plekke passen, doe je mee?
Wat ik ook best leuk zou vinden is een soort ontmoetings/date-afdeling op onze site. Een soort afspraken rubriek waar je een oproep kunt plaatsen in de trant van: wie heeft er zin om mee uit (eten/theater etc.) te gaan vanavond. Dat is toch iets anders dan vraag en aanbod. Het ontmoeten van mensen en het vinden van een ‘gezel’ gaat voor veel ouderen steeds moeilijker.